Spring naar inhoud




Foto
- - - - -

Kunstgrepen


  • Log in om te reageren
14 reacties in dit topic

#1 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 15 May 2014 - 10:35

Zie hier: Mijn eerste NHP-verhaal! Het is een schrijfsel waarmee ik een wedstrijdje won. Bij deze wedstrijd was het de bedoeling een verhaallijn te lenen van een ander verhaal, en daar een eigen draai aan te geven. Zodoende zal dit verhaal je bekend voorkomen als je de animé/manga Black Butler kent, hoewel ik van het origineel weinig heb heelgelaten. Hoe dan ook wens ik je veel leesplezier toe, met dit ietwat lugubere, mysterieuze en bij tijd en wijle ook humoristische verhaal. Echt waarschuwingen hoeven er niet voor gegeven te worden, maar wel wil ik zeggen dat als je in God gelooft, je dit waarschijnlijk met opgetrokken wenkbrauwen zal lezen.

Geposte afbeelding



Hoofdstuk 1

Anders dan in het nabije verleden, leek ieder begin van de dag hetzelfde te zijn. Marianne leefde geheel volgens de maatstaven van rust, reinheid en regelmaat, stipt en betrouwbaar, en gefocust op haar levensdoel. Eveneens was ze oneindig geduldig, waardoor progressie nauwelijks waarneembaar was. Het viel ook niet mee als alleenstaande jonge vrouw in 1923 met een eigen huishouden en een fortuin op haar bankboekje. Ze was negentien jaar oud en worstelde dagelijks met de zaken waar haar vader zijn grote geld aan had verdiend totdat hij plotseling stierf. Op zich zou ze ook zonder te werken kunnen leven totdat ze een rijke heer zou huwen, maar haar honger naar kennis was onstilbaar en haar bitterheid spoorde haar aan haar leven in eigen handen te houden.
Altijd dacht ze aan haar vader, soms ook aan haar moeder en broer die tijdens hetzelfde ongeval om het leven waren gekomen, maar de man tegen wie ze op had gekeken eiste de meeste aandacht op. Ze miste hem verschrikkelijk; vooral zijn warmte, zijn kennis en zijn sociale vaardigheden. Zodra haar ogen zich openden, exact om zeven uur in de morgen, dacht ze eerst aan haar vader voordat ze opstond en vol moed aan een nieuwe dag begon waarin ze wijzer zou worden.
“Goedemorgen, juffrouw!” De vrolijke stem was van Dominick, haar persoonlijk assistent. “Heeft u goed geslapen?”
Zijn verschijning gaf iedere dag een beetje kleur aan haar bestaan, al zou ze dat niet toegeven. De toewijding waarmee hij zijn vak beoefende was bovennatuurlijk en naar Europese maatstaven gemeten behoorde hij tot de knapste der mannen. Hij zag er jong en aantrekkelijk uit, was altijd volgens de laatste mode gekleed, was goed gekapt en geschoren, had zachte handen met keurige nagels en hij rook naar sinaasappel vermengd met pepermunt.
“Goedemorgen, Dominick.” Haar groet was een ongemeende beleefdheidsgewoonte. “Zet het vuilnis buiten.”
Ze liep de keuken in en ontdekte, zoals iedere morgen, dat ze geen ontbijt voor zichzelf klaar hoefde te maken.
“Al gedaan, juffrouw,” meldde Dominick die haar als een eendenkuiken gevolgd was.
Als ze het niet dacht! Met een zucht ging ze zitten en wilde thee inschenken, maar voordat haar hand het oor van de theepot bereikte, hoorde ze Dominicks stem achter zich.
“Laat mij dat doen, juffrouw.” Voordat ze protesteren kon, zat het hete goed al in haar theekopje.
“De krant,” zei ze toen maar. Dominick knikte, draaide zich om en weer terug.
“Alstublieft, juffrouw.” Hij maakte een nederig buiginkje toen hij de perfect gevouwen Leydse Courant aangaf. “Er staat een interessant artikel in over het museum in Parijs.”
“Hoe weet je dat?” vroeg ze. De krant zag er ongelezen uit.
“Juffrouw Marianne, u vraagt naar de bekende weg,” zei hij met een glimlach.
Natuurlijk, ze betaalde hem goed voor zijn diensten, en hij kwam tot in de puntjes zijn contract na. Ze had hem nog niet kunnen betrappen op ook maar het kleinste oneffenheidje. Ook vandaag niet.
Ze sloeg de krant open en zag bijna direct het artikel over het Louvre. Kijkend naar de letters en de plaatjes over de laagdikte van de verf van de Mona Lisa, deed ze alsof ze las. Intussen smeedde ze een relatief onschuldig plannetje om Dominick op zijn perfectie te testen. De jongeman in kwestie stroopte zijn mouwen op om een nieuw stuk turf op de kachel te gooien, zodat de temperatuur altijd aangenaam bleef. Het was nooit te warm of te koud in de salon van haar woning aan het Rapenburg en zelfs de manier waarop hij met de pook de smeulende restjes opzij schoof, had iets charismatisch. Tot in het kleinste detail wist Dominick hoe hij mensen kon behagen en verleiden. Het was geen straf om hem aan haar zijde te hebben, maar toch… Toch zette ze geluidloos haar theekopje op de krant, pakte het schoteltje en wierp het kostbare stukje porselein als een frisbee naar hem toe, in de verwachting zijn hoofd te raken. Echter, voordat dat gebeuren zou, ving hij het op tussen zijn duim en wijsvinger.
“Mooie worp, juffrouw,” glimlachte hij. Ze wist niet of hij haar irriteerde of charmeerde.
“Goed gevangen.” Ze stortte zich dan maar weer, met een broodje zachte kaas in haar hand, op de kunstcollectie van het Louvre. Het had geen zin om Dominick dwars te zitten.
“U heeft vanmorgen les in de talen Engels en Duits en vanmiddag komt meneer van Wilgenburg u kunstgeschiedenis doceren,” informeerde hij haar nadat ze de krant had dichtgeslagen.
Voor de talen moest ze naar de meisjesschool, de MULO aan de Haarlemmerstraat, waar ze les kreeg van een Zuster van Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid. Het was een behoorlijke titel voor een strenge non.
Duits lag haar wel, Engels vond ze moeilijk, en het was nog veel moeilijker om vriendschap te sluiten met de andere leerlingen, aangezien zij allemaal uit een lager milieu kwamen. Bovendien was haar plek thuis. Van daaruit regelde ze haar bestaan en haar zaken; de aan- en verkoop van kunst, voornamelijk schilderijen. Ze kocht uit failissementen en van beginnende kunstenaars, ze verkocht aan snobs en mensen die erop gokten dat hun kunst meer waard zou worden. Haar vaders handel, ook al was ze onervaren.
“Goed,” zei ze na haar laatste slokje thee. “Het is mooi weer vandaag. Ik kan wel lopend naar school.” Ze stond op en wierp nog een blik in de spiegel, die in een barokke lijst boven de schouw hing en oordeelde dat haar donkere, gewatergolfde kapsel haar beviel en dat haar gezicht wel een beetje kleur kon gebruiken. Snel stifte ze haar lippen in een donkerrode kleur en wilde haar stola om haar schouders draperen, toen Dominick ineens achter haar verscheen. Misschien was hij daar al die tijd al geweest en merkte ze hem nu pas op, maar hij was allerminst een spookverschijning; ze schrok er niet van.
“Uw haren, juffrouw,” zei hij zacht. Daarna voelde ze hoe hij een kam langs haar kruin streek, gevolgd door zijn handen; voorzichtig zette hij haar nieuwe art-deco haarspeld achter haar linkeroor. “U ziet er goed uit vandaag.” Hij zei het iedere dag.
Er was bijna niets wat ze zelf deed; telkens was Dominick haar voor. Hij opende de deur en sloot hem ook weer, maar voordat ze ook maar één voet voor de andere had gezet, stond hij klaar om haar te vergezellen. Aan zijn arm liep ze met hem langs de gracht. Hij droeg een koffertje waarin zich haar kroontjespennen en schrijfblokken bevonden, evenals twee woordenboeken en een hard gekaft cahier met grammatica.
“Luister eens naar de vogels, juffrouw. Ze zingen u toe!”
Even keek Marianne naar zijn gezicht en zag zijn ogen, die normaal bruin leken, maar in het zonlicht een rode gloed hadden. Zijn mondhoeken waren naar boven gekruld.
“Wees niet zo dom, Dominick. Het is lente. In de lente zingen de vogels elkaar toe om een geschikte partner te vinden, zodat ze samen een nestje kunnen bouwen onder een dakpan. Een mens heeft daar geen enkele invloed op.”
“Zoals u wilt,” zei hij serieus.
“Ik zou het op prijs stellen als je me na mijn lessen alleen naar huis terug laat lopen,” meldde ze zakelijk. “En ik wil aardbeien bij de lunch.”
“Zoals u wilt,” herhaalde hij.
Het duurde ongeveer een kwartier om naar de school te lopen, een kwartier waarin hij aandachtig naar haar luisterde als ze iets zei. Als ze niets te melden had, zei hij ook niets terug, totdat de medeleerlingen van de MULO hen in de gaten kregen en zenuwachtig met elkaar spraken.
“Je hebt weer eens de aandacht getrokken,” zei Marianne ontstemd. Ze wist maar al te goed waar de bakvispraatjes over gingen, namelijk over de nette jongeman die haar over de kinderhoofdjes van de Haarlemmerstraat leidde.
“U kunt er maar beter van genieten, juffrouw. Zoals u weet, ben ik geheel en al van u en niet van hen.”
“Weet ik,” antwoordde ze toonloos. Ook al had ze nooit spijt van het contract dat ze met Dominick had afgesloten, ze wist zeker dat de meisjes wel anders zouden reageren als ze zouden weten waarmee zij hem betaalde.
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#2 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 22 May 2014 - 15:04

Hoofdstuk 2

“Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer zij met u,” bad de non voor.
Laat me niet lachen, dacht Marianne terwijl ze schijnheilig haar handen ineen gevouwen had. In haar ogen was Maria de meest verachtelijke persoon in de bijbel. Zwanger zonder eerst te trouwen, maar met een groot leugen en een heleboel overtuigingskracht had Maria miljarden mensen van haar maagdelijkheid weten te overtuigen.
“Gij zijt de gezegende onder de vrouwen…”
Marianne sloeg haar ogen neer. Alleen God kon ervoor gezorgd hebben dat mensen zulke onbetrouwbare wezens geworden waren. Ze kon het weten, zij had immers aan de hemelpoort gestaan, samen met haar broer.
“Bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood…”
Ze haatte het begin van haar naam en had zelfs overwogen om voortaan als ‘Anne’ door het leven te gaan, maar Dominick, degene die haar terug tot leven had gebracht, had erom gelachen en had gezegd dat hij nog geen letter van haar wilde missen. Ze had hem zijn zin gegeven; Juffrouw Marianne klonk uit zijn mond veel melodieuzer dan Juffrouw Anne, en hij was er eenmaal om haar te behagen, ook als hij haar naam uitsprak.
“Amen.”
De les begon. Zuster Agnetha zette een halfrond brilletje op haar neus en nam een kaart met de afbeelding van de Engelse vlag uit het dunne boek dat ze vasthield. De ansicht diende als boekenlegger.
“Vandaag behandel ik met jullie samengestelde werkwoorden,” zei ze loom en overdreven duidelijk articulerend. “Ik neem aan dat iedereen weet wat dit voor werkwoorden zijn?”
Licht protest in de vorm van enkele ongemakkelijke kuchjes en zuchtjes vermengde zich met verveelde snuifjes en meisjes die zacht ja tegen zichzelf fluisterden. Zuster Agneta keek kort door het klaslokaaltje en trok haar conclusies.
“Samengestelde werkwoorden bestaan uit twee delen; een werkwoord plus een bijwoord, zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord. Woorden zoals weglopen, omdraaien, opschrijven, et cetera. Bij het vervoegen van deze werkwoorden splitst het werkwoord zich. In de eerste persoon enkelvoud wordt het: ik loop weg, ik draai om en ik schrijf op.”
Onbewust knikte Marianne. Ze had het begrepen, al was dat vanaf het eerste moment al zo geweest.
“Nu in het Engels. Weglopen is walking away, omdraaien is turning around en opschrijven is writing down. Twee woorden.” Daarna wendde zuster Agnetha zich tot het schoolbord en schreef in sneltempo een heleboel verschillende werkwoorden op, waarvan Marianne bij voorbaat wist dat ze geacht werd die te gaan vertalen, inclusief alle mogelijke vervoegingen. Ze pakte haar favoriete kroontjespen en liet hem tussen haar vingers rollen in afwachting van de nons exacte opdracht.
“Weet iemand van jullie een werkwoord dat in het Nederlands een samengesteld werkwoord is en in het Engels niet?” vroeg zuster Agnetha.
Zou ze het zeggen? Ook al vond ze Engels geen gemakkelijke taal, hier had ze een antwoord op. Een antwoord dat haar op het lijf was geschreven. Vanaf haar plaats bij het raam keek ze vluchtig de klas rond. Er waren maar weinig leerlingen voor Engels; ongeveer een derde van de schoolbankjes was leeg. De meeste meisjes in de stad spraken niet eens fatsoenlijk Nederlands, laat staan een vreemde taal, hoewel de Leidse rollende ‘R’ zich uitstekend voor Engels leende.
“I’m waiting,” zei zuster Agnetha ongeduldig. Marianne twijfelde, maar stak desondanks haar hand op.
“Yes?” vroeg de non.
“Doodgaan.”
Iedereen hield, al was het maar voor een seconde, haar adem in. Het enige te horen geluid kwam van een duif die buiten op de rand van de dakgoot enkele keren hard roekoe riep.
“I die. Ik ga dood,” voegde Marianne toe om haar antwoord kracht bij te zetten. De pupillen van de non zaten verstopt achter het bovenste randje van de halfronde brillenglazen. Met zekerheid wist Marianne te zeggen dat de zuster haar niet aankeek toen ze, uit het lood geslagen: “Exactly,” zei.

Doodgaan was makkelijk. Een mens kon eigenlijk maar weinig verduren, vond Marianne. Daarom had ze Dominick. Hij was zuinig op haar en zeer bereidwillig om haar te helpen met wat zij haar levensdoel noemde.
Het leven was niet mooi van zichzelf, maar met een beetje goede wil kon er best iets van gemaakt worden, zoals uit een homp vormeloze klei kunstige beelden konden ontstaan. Genietend van de zon wandelde Marianne na de Duitse les naar huis. De stad zag er levendig uit; kinderen knikkerden op het hoekje van de Donkersteeg en langs de Hoogstraat stonden verkopers van groenten en vis hun koopwaar luidkeels aan te prijzen. Op de hoek van de Breestraat tuurde ze langdurig door het glas van haar favoriete kledingwinkel en vroeg zich af hoe het jurkje dat er te zien was, haar zou staan. Het was een korte jurk - té kort, zou haar vader zeggen. En Dominick zou zeggen dat ze er vandaag goed uitzag. Misschien koop ik hem morgen, dacht ze.
De jurk was vuurrood en bestond uit vele transparante laagjes. De boothals zou haar mooi staan, niet te uitdagend, maar wel sexy genoeg om als volwassene gezien te worden. De vlindermouwtjes gaven het een luchtige uitstraling die contrasteren zou bij haar zwaarmoedige gezicht. Sinds de dood van haar vader had ze niet meer kunnen lachen en dat zou ook niet gaan gebeuren totdat ze wist wie de remmen van haar vaders T-Ford had gesaboteerd.
Ze liep in de richting van de Pieterskerk en liet daarmee de stadse drukte achter zich. Het was heerlijk om te ervaren hoe verlaten het centrum van een stad kon zijn. Natuurlijk; als de mis in de kerk bijna begon, was het hier zo druk dat ze platgelopen zou kunnen worden, maar nu, op dit vroege middaguur, was er geen ziel te bekennen. Dacht ze.
Haar huis was al bijna te zien. Ze hoefde alleen nog maar de hoek om te gaan bij de Herensteeg, toen ze een glimp opving van een straatrat. Een jongen van een jaar of twaalf hield haar in de gaten vanaf de Scheepmakerssteeg die ze passeerde, waarna Marianne hoorde hoe hij door middel van een fluittoon zijn vrienden waarschuwde. Op dat moment bleek er in ieder hoekje en achter ieder muurtje, ja zelfs tussen de vuilnisbakken een jongen te zitten. Jongens die in hun eentje niets waard waren, maar in een bende de bovenklasse gemakkelijk konden beroven. Vooral als de bovenklasse een jonge vrouw was, die haar persoonlijk assistent de opdracht had gegeven haar alleen naar huis te laten lopen. Ze wilde zich omdraaien en terug in de richting van de kerk lopen, maar voordat ze achter zich kon kijken, werd haar koffertje met schoolspullen uit haar handen gegrist en kreeg ze een duw zodat ze op de kleine rivierkeitjes ten val kwam.
“Dominick!” Ze hoefde het niet hard te roepen, want hij zou haar altijd horen, zelfs al zou ze fluisteren.
“Nee, jij roept niet om hulp,” zei de grootste van de jongens. Hij boog zich voorover en hield zijn mes op haar keel gericht. “Als je roept, zal je het bezuren. Dan mag Dominick jouw lichaam uit de gracht opvissen.”
“Er zit geen geld in de koffer!” hoorde ze een andere jongen roepen.
“Tering,” vloekten twee jongens tegelijkertijd.
“Dan pakken we dit.” De jongen met het mes strekte zijn hand uit naar haar hals, waar een gouden kettinkje hing met een rode, druppelvormige hanger eraan. Het was een sieraad dat ze cadeau had gekregen van haar vader, op haar veertiende verjaardag. Het had in een klein doosje gezeten, dat hij in haar handpalm had gedukt met de woorden: een gelukkige verjaardag, mijn vurige dochter. Het zal je nog mooier maken dan je al bent.
In de verte was onweersgerommel te horen. Het begon met een doffe klap, klinkend als een rotsbrok dat van een berg afrolt. Iedereen, sommigen meer bewust dan anderen, registreerde het geluid. De tweede keer dat het te horen was, was het beduidend dichterbij.
Marianne wilde naar achteren schuiven in het ogenblik dat haar belager door de harde dreun afgeleid was, maar toen een van zijn handlangertjes hem aanmoedigde, herpakte hij zich snel.
“Grijp ‘t!” hoorde Marianne hen roepen, maar voor de rat het sieraad greep, trok er een windvlaag door de steeg die hem bijna omver blies. Snel bukte hij zich tegen de wind in, greep de ketting en trok tevergeefs.
“Au!” riep Marianne verontwaardigd. Het kettinkje sneed in haar nek en doorkliefde bijna haar vel. Nog één mislukte poging om haar te bestelen moest ze verduren, aangezien de jongen de hanger nog steeds vasthad toen hij in zijn gezicht werd geschopt. Hij viel achterover en rolde daarna nog een stukje bij haar vandaan.
“Wat wil je dat ik met hen doe, juffrouw Marianne?”
“Dominick… Jaag ze weg, maar wel op gepaste wijze.” Ze was niet verbaasd dat hij er was; ze had hem tenslotte gesommeerd. Omhoogkijkend langs zijn benen ontmoette ze zijn kwade, als lava gloeiende ogen. Hij had er nog geen drie seconden voor nodig om hen te laten verdwijnen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er van angst geen enkel straatratje zou slapen vannacht. Hoe hij dat deed, daar was Marianne niet in geïnteresseerd. Haar wens werd uitgevoerd zoals ze van Dominick gewend was en te allen tijde bereikte hij op duivelse wijze het gewenste resultaat.
“Gaat het een beetje, juffrouw?” Voor ze op had kunnen staan, tilde hij haar van de grond. Ondertussen waaide de bloesem van de bomen, die verderop in de straat stonden, af en sloeg de bliksem in de toren van de Pieterskerk.
“Ik breng u naar huis. Het gaat namelijk regenen, ziet u,” informeerde hij haar.
“Goed,” antwoordde ze zwak. “Maar dit onweer is toch door jouw toedoen -? Kan je het niet laten stoppen?”
Dominick lachte terwijl hij met haar in zijn armen de bocht om liep, het Rapenburg op.
“Juffrouw Marianne, zo nu en dan vraagt u echt onmogelijke dingen van mij!”
“Ik vond al dat je rijkelijk laat was. Waar bleef je zo lang?” Ze vond het wel prettig om gedragen te worden; haar knie deed zeer en haar nek ook, en zijn armen gaven haar een gevoel van geborgenheid.
“Ik was bezig,” verklaarde Dominick. “Met aardbeien. Ik moet u zeggen; in deze tijd van het jaar is het schoonmaken van aardbeien een hels karwei.”
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#3 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 03 June 2014 - 14:12

Nog geen reacties --> ach, dat zal het risico zijn van een niet-Harry Potterverhaal op een Harry Pottersite. Mocht je de hoofdstukken toch lezen: ik hoop dat je het leuk vindt!


Hoofdstuk 3

"Het zou een beetje pijn kunnen doen," zei Dominick. Ze lag op de sofa, met een kussen in haar knieholte. De val in de Herensteeg was al erg pijnlijk geweest en haar zijden kous was gescheurd. Haar knie was gezwollen en geschaafd en stond op het punt om door Dominick onder handen genomen te worden; de kapotte kous hing op haar enkel en binnen enkele ogenblikken zou hij met ontsmettingsmiddel op de wond gaan deppen.
"Weet ik," antwoordde Marianne onbewogen. "Kom maar op. Hoe sneller het voorbij is, hoe beter."
"Goed. U mag me knijpen als u denkt dat het verlichting zal geven."
"Denk maar niet dat ik je - AU!" Voordat ze besefte hoe tegenovergesteld aan haar woorden ze reageerde, greep ze Dominicks bovenarm met twee handen vast en kneep hem bijna tot moes. Zijn andere arm benutte hij om de wond te verzorgen.
"Het spijt me, juffrouw Marianne," suste hij. Ondertussen had ze het gevoel dat haar knie zou exploderen als hij doorging met deppen, maar ze nam aan dat hij wist wat hij deed.
"Daar meen je helemaal niets van," kermde ze.
"O, jawel, hoor." Hij haalde de doek van haar knie en bestudeerde de kapotte huid. "Ze zijn dood."
"Wàt? Heb je die rotjongens -?"
Hij lachte: "De bacteriën, juffrouw."
Oh. Gelukkig. Om Dominick als persoonlijk assistent te hebben, was het uiterst belangrijk dat ze op haar woorden lette. Uit woede zou ze zomaar iemand iets ergs kunnen toewensen en Dominick voerde alle wensen nagenoeg letterlijk en gewetenloos uit.
Opgelucht zuchtte ze en sloot haar ogen.
"Ik heb contact opgenomen met meneer van Wilgenburg, zodat uw les kunstgeschiedenis vanmiddag een uur later aan zal vangen," fluisterde hij vlakbij haar oor. Ook onuitgesproken wensen voert hij uit, dacht ze bitter.

Meneer van Wilgenburg was een oude vriend van haar vader. In het Rijksmuseum in Amsterdam hadden ze elkaar jaren geleden leren kennen en het feit dat ze beiden uit Leiden kwamen, had hen in de vriendschap verbonden. Zo achteraf leek dat feit nietszeggend; de heren verschilden als de dag en de nacht en konden ellenlange discussies voeren over de hedendaagse kunstenaars.
Om haar door Dominick verbonden knie te verhullen, had Marianne haar langste rok aangetrokken. Eigenlijk waren lange rokken niet meer in de mode, maar als ze het combineerde met haar lichtblauwe vestje, haar opzichtige parelsnoer en zachtroze sjaal, eisten de trendy accessoires alle aandacht op. In dat geval zouden zowel haar knie als haar rok niet opvallen. Bovendien was meneer van Wilgenburg van de oude stempel en kende hij vrouwen die vandaag de dag nog steeds een korset droegen.
Desondanks keek ze kritisch in de grote spiegel en zei tegen haar spiegelbeeld: "Nou, meid, je bent niet bepaald een flapper girl vandaag."
Met lichte tegenzin begaf ze zich hinkend naar de bibliotheek in haar huis. Het boekenkamertje stelde niet veel voor, hoewel ze nog jaren nodig zou hebben om alles wat er stond, te lezen. Meneer van Wilgenburg groette haar met een kort buiginkje.
"Goedemiddag Marianne. Je ziet er weer beeldschoon uit. Cornelis zou trots zijn als hij je nu zag."
"Misschien," zei ze nors zonder hem van een redelijk klinkend 'goedemiddag' te voorzien. "Mijn vader ziet me nooit meer, dus van zijn trots zal ik niets vernemen."
"Ooit," glimlachte de man goedbedoeld, "als je in de hemel bent."
"Nooit," kapte ze de man af, terwijl Dominick met een dienblad binnen kwam lopen. Er stonden gevulde theekopjes op en een schaaltje chocoladeblaadjes. Zwijgzaam zette hij alles voor hen op het mahoniehouten bureau en pakte daarna een kussentje om achter Mariannes rug te leggen toen ze ging zitten.
"Nonsens," lachte meneer van Wilgenburg. Hij plofte neer op de zetel tegenover haar. "Mooie dames zoals jij -"
"Begrijp me niet verkeerd. Ik ben hier om te leren, te begrijpen wat mijn vader bezighield, te zien welke gevaren hij het hoofd moest bieden en te onderzoeken wie hem en zijn familie van kant heeft gemaakt."
Dominick luisterde aandachtig, dat kon ze zien aan zijn halfgesloten ogen en de geamuseerde uitdrukking rond zijn mond.
"En daarna?" vroeg meneer van Wilgenburg voorzichtig.
"Ik zal de dader vernederen zoals hij mijn familie heeft vernederd."
"Je bedoelt… wraak?" De man van middelbare leeftijd trok verbaasd zijn borstelige wenkbrauwen op. Hij geloofde zijn oren niet, maar Marianne meende ieder woord.
"U zat niet in mijn vaders auto in zijn laatste levensminuten. Ik wel. Mijn vader had niet verwacht dat zijn einde zo abrupt zou komen, had ook niet verwacht dat hij niet meer kon remmen en we op volle snelheid de Oude Rijn in zouden rijden. En ik kan u dit vertellen, meneer van Wilgenburg: de verdrinkingsdood is verschrikkelijk."

Ze herinnerde zich nog goed wat voor een klap het geweest was toen de auto het wateroppervlak raakte. Voordat ze goed en wel had beseft dat ze het voertuig verlaten moest, kreeg ze de deur van de nieuwe Ford al niet meer open en stroomde er uit ieder kiertje water naar binnen. Het was een kwestie van nog geen dertig seconden voordat de auto in zijn geheel zonk. Haar broer Huibrecht naast haar probeerde nog de ramen eruit te schoppen, maar het zicht was zeer beperkt in het troebele water. Bovendien had hij geen ruimte om kracht te zetten en raakte hij verlamd door de kou, net als zij zelf. Er was zelfs geen tijd om in paniek te raken, maar als ze eraan terugdacht, was ze wel degelijk bang.
Drijfnat was ze, toen ze samen ineens ergens anders waren. Ze had zich aan haar broer vastgeklampt, maar nu het gevaar geweken was, liet ze hem los. Alles was wit om hen heen, niet alsof het sneeuwde, maar alsof de zon door de mist scheen.
"Waar zijn we?" vroeg Huibrecht.
"Hoe moet ik dat weten?" antwoordde ze nors. "Ik kan je één ding vertellen; we zijn niet meer in de auto."
"We zijn dood," was zijn conclusie. "Het spijt me dat het me niet lukte om ons te bevrijden."
Ongelovig keek ze hem aan.
"Dood? Maar… dat is onacceptabel!" Boos stampte ze met haar voet, een gewoonte die ze al sinds haar peutertijd had als haar grote broer niet deed wat zij zei. "Was jij niet van plan je vader op te volgen?"
Alsof hij geen acht sloeg op haar woede, trok hij zijn jasje uit en begon het droog te wringen.
"Hoe zou ik dat moeten doen als ik dood ben?" vroeg hij betweterig. Er kwam zoveel water uit het colbert dat het Marianne niet zou verbazen als het zou regenen onder hen. "En daarbij; dit… dit was geen ongeluk. Iemand wilde ons van de aardbol vegen, nou, dat is met veel succes geslaagd. We zijn er alle vier niet meer."
"Dus iemand heeft ons vermoord?" vroeg ze ontsteld.
"Ja," antwoordde hij. "Heb je papa niet horen roepen? Eerst was hij verbaasd - waarom remt hij niet? - en toen we eenmaal in het water lagen, vloekte hij dat ze hem te pakken hadden gekregen."
Marianne sloot haar ogen en probeerde zich te herinneren wat er enkele minuten geleden allemaal gebeurde. Alles wat iedereen in een schrikreactie riep en deed, flitste in korte fragmenten door haar geheugen. Haar broer had gelijk. Iemand had het vuile lef gehad om haar leven te beëindigen, samen met dat van haar familie.
"Wie zou ons dat aan hebben gedaan?" vroeg ze zich hardop af.
"Dat is niet iets waar jij je nu nog zorgen over zou moeten maken," zei Huibrecht geruststellend. "Dit is een ander leven, we moeten vooruit."
"Ho eens even, van mij zijn ze nog niet af!" brieste ze. "Ik ga terug!" Haar wil was zo sterk dat het effect van haar beslissing waarneembaar was. Er schoof een donkere wolk voor het waterig schijnende zonnetje.
"Marianne, doe niet - je weet niet wat voor consequenties je -" Huibrecht wilde zijn hand op haar schouder leggen, maar hij greep door haar heen, alsof ze er niet stond, alsof ze slechts een weerspiegeling was van wat ze enkele ogenblikken geleden nog was. Ze was vastbesloten.
"Dag Huibrecht," fluisterde ze. “Ik zal je ontzettend missen, maar niet genoeg om bij je te blijven.” Ze zwaaide nog even, met tranen in haar ogen en om haar mond haar laatste glimlach. Huibrecht was een fijne broer geweest, maar helaas niet iemand die in staat was haar te redden. In plaats daarvan zou ze het voor hem opnemen, net als voor haar vader, al was ze ook licht teleurgesteld dat hij niet met haar meewilde.
Langzaam vervaagde zijn gestalte en werd alles steeds donkerder om haar heen. Zwarter en warmer, haar zacht omsluitend met heerlijke föhnwinden. Ze hoorde een stem, een onbekende, maar betrouwbare stem, die zacht neuriede.
"Ziel... mooie, tere, verrukkelijke ziel."
"Wie ben jij?" vroeg Marianne. Ze zweefde en kon niet zeggen of ze stond, zat of lag.
"Vraag maar, vraag maar… ik zal je antwoord geven en nooit liegen. Ik ben de duivel, zoals de mensen zeggen… maar eigenlijk zou een duivel beter zijn, aangezien ik bij lange na niet de enige duivel ben."
"O," zei ze. Ze liet de stem tot haar gemoed komen. Het feit dat hij een duivel was, voldeed min of meer aan haar verwachtingen. Ze schrok dan ook niet.
"De meeste zielen zouden nu beginnen met gillen," vervolgde de stem.
"Oh ja? Waarom?" Iets beters wist ze niet te vragen. Ze voelde hoe de duivel dichterbij kwam en om haar heen cirkelde.
"Waarschijnlijk omdat ik hen angst aanjaag. Maar jij bent speciaal. Jij bent zuiver, waardoor je niets te vrezen hebt. Laat ik zeggen dat je strafblad nogal schoon is en je zonder enige moeite naar de hemel kan gaan. En toch wil je dat niet. Dat is… door de ogen van een duivel gezien, interessant."
Ze besefte dat hij naar haar keek, dat ze geobserveerd werd, aan alle kanten van haar jeugdige lichaam.
"Je praat nogal veel," zei ze opmerkzaam, waarbij ze duidelijk door liet schemeren dat ze wist dat hij haar aan het lijntje hield om zijn duivelse ogen de kost te geven.
"Laat ik dan tot de kern komen." Hij was dichtbij, bijna tastbaar. Zijn aanwezigheid stelde haar gerust. De geuren van sinaasappel en pepermunt wisselden elkaar af en lieten haar telkens diep inademen.
"Ja. Doe dat. Doe geen moeite om me te verleiden met mooie praatjes, zachte warmte en frisse luchtjes."
Hij grinnikte.
"Je kan vanaf hier drie dingen doen. Het eerste is teruggaan naar waar je vandaan kwam; de witte mist waar je je broer uitzwaaide en waar ik ook je ouders heb gezien."
"Dat is geen optie. Volgende."
Hij snoof geamuseerd.
"Het tweede dan, is wat mensen spoken noemen. Een aards leven als ronddolende ziel. In staat zijn om alles wat je maar wil te weten te komen, maar niet in staat zijn om te vertrekken."
"Hmm. Ik kan er niet enthousiast van worden." Haar koelheid had bij de duivel een omgekeerd effect; ook al voelde ze hem niet, ze had het idee dat ze door een kwispelende puppy besprongen werd.
"Nee, het is niet aanlokkelijk, daar heb je voor honderd procent gelijk in. Misschien optie nummer drie?"
"Als je ooit van plan bent die me te vertellen..."
Hij lachte hardop, niet duivels, maar als een joviaal persoon die zojuist een goede grap hoorde.
"Al goed, al goed! Luister. Optie drie is een contract. Een contract met mij. Het is voor mij geen eenvoudig contract, aangezien ik alles, maar dan ook echt alles zal doen om jou te behagen. Ik bescherm je, ik verzorg je, ik gedraag me zoals jij dat wil, ik verschijn op een manier zoals jij dat wil, ik help je om je levensdoel te vervullen. Hoe vind je dat?"
"Klinkt goed. En verder? Ik mag aannemen dat het contract niet eenzijdig is."
Hij zuchtte en leek te peinzen.
"Jouw deel is eenvoudig; Je sterft niet voordat je levensdoel vervuld is, maar daarna behoort jouw ziel aan mij toe."
Haar ziel. Het enige wat ze nog bezat nu. Ze hoefde er niet lang over na te denken.
"Het interesseert me niks of ik mijn ziel aan de hemel, aan de aarde of aan jou geef. Maar wat wil je ermee?"
"Ik zal het consumeren."
Er trok een rilling door haar heen, de eerste die ze voelde na haar dood.
"Doe mij maar gewoon een biefstukje," zei ze ad rem. Wederom schoot hij in de lach.
"Geloof mij als ik zeg dat een boer zijn vee opeet. Maar dat weerhoudt hem er niet van om goed voor zijn koeien en schapen te zorgen."
"Ik geloof je. Hoe wordt dat contract gemaakt?"

Water. Veel en koud water, troebel; ze had haar ogen open, maar zag alleen geelbruine schimmen. Plotseling waren ze daar, de sterke armen waarop ze rekende. Iemand sleurde haar uit de auto. Het wateroppervlakte bleek dichtbij, zo achteraf was de Oude Rijn minder diep dan ze zich had voorgesteld.
"Ik laat u niet verdrinken, juffrouw!" Dezelfde stem, vlakbij. Op de kant applaudiseerden de toegestroomde ramptoeristen. Ze voelde hoe hij krachtige zwemslagen maakte met haar rug aan zijn borst gedrukt. Haar gezicht bleef keurig boven water.
Tot vandaag de dag kwam hij zijn contract na. Het was haar wens dat hij haar met 'juffrouw' aansprak. Het was haar wens dat hij er als Adonis uitzag. Ze had hem Dominick genoemd.
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#4 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 12 June 2014 - 14:51

Kleine note: in het komende hoofdstuk wordt er gerefereerd aan dit schilderij en het leesplankje van Hoogeveen waarvoor de boer in het schilderij model heeft gestaan. (Altijd leuk, research bij het schrijven.)

Hoofdstuk 4

“Juffrouw Marianne, let u wel op?” Dominick knipte met zijn vingers vlak voor haar ogen. “Meneer van Wilgenburg vraagt u iets, maar u reageert niet.”
Geschrokken keek ze op, naar haar persoonlijk assistent die bezorgd naar haar keek en meneer van Wilgenburg die vriendelijk probeerde te glimlachen, ondanks zijn van woede rood aangelopen gezicht.
“Sorry,” verontschuldigde ze zich. “Ik was er even niet bij.”
“Dat merk ik,” zei meneer van Wilgenburg. “Jongedame, ik ben hier toch niet voor Jan-met-de-korte-achternaam? Als je werkelijk wil weten wat je vader bezighield, zou je kunnen beginnen met een dosis aandacht!”
Nogmaals wilde ze haar verontschuldigingen aanbieden, maar Dominick sprong voor haar in de bres.
“Alstublieft, meneer van Wilgenburg, ze is vanmorgen ten val gekomen. Neemt u het haar niet kwalijk.” Daarna pakte hij de kartonnen schilderijprint van het bureau en legde die in haar handen. Stil pakte ze de plaat vast en keek naar de dieren, de boom en de boer.
“Laten we verdergaan met waar we gebleven zijn,” zei meneer van Wilgenburg zonder naar haar toestand te vragen. “Ken je dit schilderij?”
“Ja, het hangt in het Mauritshuis in Den Haag. Ik ben het met Dominick wezen bekijken vorig jaar.” Het schilderij heette ‘De Stier’ en in het echt was het nogal groot. In haar ogen had het niets speciaals, zelfs het detail van de strontvlieg kon haar niet bekoren, maar Dominick had er lang naar gekeken en haar erop gewezen dat de op het schilderij afgebeelde boer een tevreden uitdrukking op zijn gezicht had.
“Weet je ook wie het geschilderd heeft?” vroeg meneer van Wilgenburg op een toon die alleen van een leraar geduld werd.
“Paulus Potter. Hij stierf toen hij achtentwintig was.”
“Je bent goed op de hoogte.” Onder de snor van meneer van Wilgenburg zat een glimlach verscholen, ware het niet dat het van onecht plezier was. Dit in tegenstelling tot Dominicks blootgelachen rij hagelwitte tanden.
“Weet u nog hoe u de boer noemde, juffrouw Marianne? U noemde hem Teun. En de koe heette Clara volgens u - totdat u zag dat het een stier was en hem dan maar Klaas noemde.”
Marinanne gaf een bevestigende knik. In januari was het geweest, op een mooie namiddag. In het gezelschap van de duivel was het heel aangenaam om naar schilderijen te kijken, vooral als het kunststuk veel engelen bevatte. De allerminst kritische blik van Dominick was amusant; hij beweerde dat schilders van religieuze stukken allemaal bezeten waren. Dat was het moment geweest waarop ze het levensplezier had teruggevonden, ook al was het doordrenkt met zwarte humor. Tijdens de avondmaaltijd kreeg ze van Dominick een biefstukje dat Klaas heette. Nog steeds kreeg ze wel eens 'Klaas' als antwoord op de vraag wat er op het menu stond.
Meneer van Wilgenburg negeerde Dominicks opmerking echter, borg de afbeelding van De Stier weer op en pakte de volgende.
“Kent u deze ook?”
Een korrelige foto van twee vazen schoof over het bureau, voortgestuwd door meneer van Wilgenburgs wijs- en middelvinger.
“Nee, deze ken ik niet. Chinees aardewerk, neem ik aan?” Ze pakte de foto op en bestudeerde de kunstobjecten nauwkeurig. De vazen waren perfect rond aan de onderkant, terwijl de bovenkant haar deed denken aan een soepbord.
“Noem het maar gerust porselein. Deze vazen zijn heel oud en ze werden gebruikt bij Chinese rituelen rondom voorouderverering. Aangezien je zojuist je vader ter sprake bracht, hoop ik hiermee je aandacht langer vast te kunnen houden.” Meneer van Wilgenburg lachte haar toe; dezelfde lach als zojuist. “Niet alleen om de voorouderverering,” vervolgde hij, “maar ook om het volgende: deze twee vazen kun je hier in Leiden gaan bekijken. Ze staan in het museum van Oudheden. Maar dat het dichtbij is, is niet de enige reden waarom je ze zou moeten zien.”
Alweer een beetje verveeld legde ze de foto terug op het bureau. Met het museum voor Oudheden had ze niet veel op; niet omdat ze het verleden niet interessant vond, maar omdat kunst haar veel meer boeide dan wat oude gebruiksvoorwerpen.
“Wat is dan verder nog een goede reden?” vroeg ze, waarbij ze een geeuw onderdrukte.
“Je vader,” zei hij met een grijns. “Het was je vader die ervoor gezorgd heeft dat deze vazen tentoongesteld konden worden. Het was een project dat hij leidde naast zijn reguliere werk.”
Die informatie maakte haar klaarwakker.
“Echt?” vroeg ze, maar zag geen reden waarom meneer van Wilgenburg zou liegen. “Ik heb geen Chinese vazen teruggevonden in de administratie. U moet weten, dat ik samen met mijn vriendin Cornelia, de dochter van boekhouder Jansen, alle financiële handelingen van mijn vader ben nagegaan. Zowel privé als zakelijk.”
“Toch is het zo,” verweerde meneer van Wilgenburg zich. “Ik heb hem er vaak genoeg over horen spreken. Het was in het laatste halfjaar voordat hij… nou, ja, vermoord werd.”
De gedachte aan haar vaders dood maakte haar nooit verdrietig, maar boos. Latere omstandigheden zoals de tegenwerking van de politie, zorgden er bovendien voor dat ze alsmaar kwader werd. Niemand onderzocht de zaak; de meeste mensen deden het af als een ongeluk, niemand verdacht iemand. Zelfs meneer van Wilgenburg leek niet geïnteresseerd in het opsporen van de dader, hoewel hij erkende dat het geen toeval geweest kon zijn. Toch reikte hij haar nu een puzzelstukje aan, alsof hij meer wist dan hij aan haar zou vertellen.
"Ik zal gaan kijken. Het kan geen kwaad om een paar vazen te zien," zei ze onverschillig. Alleen Dominick wist hoe graag ze de onderste steen boven zou willen krijgen.

Ieder begin van de dag leek hetzelfde te zijn. Geheel volgens haar eigen maatstaven van rust, reinheid en regelmaat opende ze de volgende dag om zeven uur 's morgens haar ogen. Ze had gedroomd en in die droom had ze gehuild. In de vroege ochtend had de slaap haar weer getroost en waren haar tranen opgedroogd, maar onder haar oogleden vond ze de zoute resten van haar verdriet.
"Goedemorgen, juffrouw!" galmde Dominicks stem door het huis. Hij was beneden en zou het ontbijt klaar gaan zetten. Dat was wat hij iedere dag deed. Zijn stem klonk vrolijk, zoals altijd en stond in groot contrast met haar droom. Murw stapte ze uit bed en liep naar de wasbak, waar ze koud water in haar gezicht gooide. Daarna probeerde ze voorzichtig het verband van haar knie te halen, wat niet lukte aangezien het aan de wond vast bleef kleven. Ze zuchtte; geen zijden kousen vandaag. Zo bleef ze een tijdje wezenloos zitten, teleurgesteld en nog op zoek naar de moed om de dag te beginnen.
Een korte klop op haar slaapkamerdeur liet haar opschrikken; ze was, in tegenstelling tot alle andere dagen, nog niet aangekleed.
"Heeft u goed geslapen?" vroeg hij toen hij zijn hoofd om de deur stak.
"Ik heb nog geen 'binnen' gezegd," zei ze chagrijnig. "Ga weg."
Hij trok zich direct terug. Op de overloop bleef hij staan.
"Hemeltjelief," klaagde hij.
"Dominick, mag ik je eraan herinneren dat het nogal vreemd is om een duivel 'hemeltjelief' te horen zeggen?"
Hij lachte hartverwarmend. "Wilt u een eitje bij uw ontbijt, juffrouw?"
"Graag. En daarna moet je even naar mijn knie kijken. En mijn blauwe jurk moet worden gestreken en de ramen mogen -"
"Al gedaan, juffrouw."
Als ze het niet dacht! Snel trok ze haar babydoll uit en haar blauwe jurk aan, terwijl ze op één voet balanceerde. Ze blikte kort in de spiegel van haar kaptafel, borstelde haar haren en hinkte de overloop op. Dominick hield haar gelijk staande en voorkwam dat ze vallen zou.
"Ben je niet bezig met een eitje?" vroeg ze verontwaardigd.
"Al gedaan," glimlachte hij. "Ik kwam juist even kijken of het u lukt om op één been van de trap af te komen."
Al gedaan. Ze was niet nieuwsgierig naar hoe hij dat voor elkaar gekregen had, maar dat het onmenselijk was, stond als een paal boven water.
"Loop anders voor mij de trap af, dan kan ik op je schouder steunen," commandeerde ze.
"Zoals u wenst," zei hij met een knikje.
"En Dominick?"
"Ja, juffrouw?"
"Goedemorgen."

Die ochtend nam ze de tijd om de krant door te spitten, ook al was het meest interessante de agenda over het Tuschinski theater in Amsterdam. Het was zaterdag, geen lessen, tijd voor het grote nietsdoen. Zou ze naar de Breestraat gaan voor die mooie rode jurk? Nee, ze wilde hem eerst passen en dat wilde ze niet nu haar knie in deze miserabele staat was. Bovendien zou het pijnlijk zijn om ernaartoe te lopen.
"Nog thee, juffrouw?" vroeg Dominick. Na vier kopjes vond ze het wel welletjes.
"Nee, dankje." Verveeld leunde ze achterover. "Neem even contact op met Cornelia, dan ga ik samen met haar die stomme Chinese vazen kijken."
Dominicks gezichtsuitdrukking verhardde, omdat hij om wat voor reden dan ook een hekel aan Cornelia had. Nooit zei hij slechte dingen over het meisje dat zich haar hartsvriendin noemde, maar sommige informatie werd woordeloos uitgewisseld. Hij ging met tegenzin telefoneren.
Alleen om Dominick een beetje dwars te zitten, en omdat het weer eens iets anders was dan een voorwerp naar zijn hoofd te gooien, verminderde het haar verveling. Diep in haar hart vond ze het dwarszitten van een duivel een triest tijdverdrijf, maar ze wist waarvoor ze het deed. Als Dominick geërgerd de telefoonschijf liet draaien, was hij minder duivels dan wanneer hij haar met een glimlach thee inschonk. Alleen dan zag ze hem als mens en dan voelde ze zich beter.
Het duurde daarna niet lang voordat de deurbel ging en Dominick de jonge vrouw binnenliet, en zoals gewoonlijk behandelde Cornelia hem als een kapstok om haar bontjasje aan op te hangen. Ze moest eens weten, dacht Marianne met een binnenpretje. Dan zou ze op haar blote knieën vergiffenis vragen.
"Heb je niets beters te doen dan te luistervinken?" beet Cornelia hem toe, vlak nadat ze Marianne op extasische wijze had gegroet. "Vooruit met je luie -"
"Excuseer, juffrouw Cornelia." Dominick had haar niet uit laten spreken, wat Cornelia hem ten zeerste aanrekende. "Aangezien juffrouw Marianne een zere knie heeft, zal ik u samen met de auto naar het museum brengen."
Marianne liet haar blik van de een naar de ander gaan en genoot. Cornelia zou ieder moment kunnen ontploffen en tegelijkertijd zou Dominick spontaan vlam kunnen vatten.
"Is dat niet fijn, Cornelia?" Ze probeerde nog wat olie op het vuur te gooien. "Dan hoeven we niet te lopen!"
"Wel fijn, maar niet nodig," antwoordde Cornelia met een valse glimlach. "Ik heb sinds drie weken een vriend en hij brengt ons wel! Dan kan je hem gelijk leren kennen."
Als een mannequin stapte Cornelia door de hal, alsof ze de rijkste vrouw van Leiden belichaamde, maar Marianne wist van haar lege portemonnee en het feit dat haar bontjas tweedehands was. Het kon Marianne niet schelen dat dit toneelstuk werd opgevoerd. Ze voelde zich zelfs een belangrijke toeschouwer, zoals koningin Wilhelmina zich moest voelen als zij naar het theater ging.
"Ik gebruik je telefoon even," kondigde Cornelia exorbitant aan, waarna het hele gesprek tot in de woonkamer te horen was: "Dag schat, met mij. Wie, vraag je? MET CORNELIA! Ja, ja, ik weet dat je niet door de telefoon heen kan kijken, maar doe alsjeblieft moeite om mijn stem te herkennen. Het is nu ook weer niet alsof ik nooit iets zeg. Luister, vrind, ik ben bij Marianne op het Rapenburg. Zou je ons tweetjes even naar het museum van Oudheden willen brengen? Het is nog geen kilometer, ik weet 't, maar dat arme schaap heeft een zere knie. Wat zeg je? Je bent geen taxichauffeur, nee, dat weet ik."
"In de tussentijd had u er al lang kunnen zijn, juffrouw," zei Dominick zacht terwijl Cornelia doorkakelde.
"Ik heb geen haast." Marianne was opgestaan en bekeek zich in de spiegel boven de schouw. Weldra hoorde ze de vertrouwde stem vlakbij.
"Uw haren, juffrouw." Hij streek een kam langs haar kruin en zette een blauwe haarspeld achter haar linkeroor. "U ziet er goed uit vandaag, uw knie buiten beschouwing gelaten. Hopelijk doet het niet al te veel pijn meer."
Nauwelijks was het stil in de hal nadat Cornelia was gestopt met praten en met luid gerinkel de hoorn terug op het toestel had gehangen, of de deurbel ging.
"Daar is hij al! Is het niet geweldig? Hoe doet hij dat, hè?" Ze opende de voordeur en liep met een enthousiast: "Joehoe!" de straat op.
Langs de gracht stond een kobaltblauwe Renault geparkeerd. Een man met kort, lichtblond haar en een opvallende hoornen bril scheen er zojuist uitgestapt te zijn. Cornelia vloog hem zowat om zijn nek, maar hij behield afstand door haar slechts zijn arm aan te reiken. Daarna keek hij Marianne recht aan en maakte een soort buiging als groet. Toen hij weer overeind kwam, schoof hij met zijn vrije hand zijn bril terug op zijn neus.
"Goedendag," zei hij vriendelijk. "U bent juffrouw Marianne."
"Weet ik," zei Marianne nors.
Voordat hij zich voor kon stellen, nam Cornelia het woord: "Dit is hem, Marianne! Is hij niet bewonderenswaardiger dan alles wat er in Oudheden te zien valt?"
"Aangenaam kennis te maken," zei de man lachend. "Mijn naam is Mitchel Onderwater."
Ze wist niet wat ze van hem moest denken. Hij zag er goed uit en Cornelia leek hoteldebotel verliefd; een toestand die ze niet zo vaak had waargenomen.
Ondertussen legde Dominick een stola om haar schouders en fluisterde: "Wat u ook doet, juffrouw Marianne, vertrouw hem niet."
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#5 Peetje

Peetje

    Forum oma & Opperste Hotemetoot!

  • +Administrators
  • 12857 Posts:
  • Locatie:Achter de pc
  • Geslacht:Zeg ik lekker niet!

Gepost 19 June 2014 - 20:01

Ik ontdek dit verhaal nu pas, en blijkbaar uitgerekend op het moment dat het spannend begint te worden!
Ik ken het origineel niet, dus ik ben benieuwd hoe het verder gaat.
  • 1

Draco Dormiens Nunquam Titillandus...

Ontdek het verhaal op de nieuwe Wizardzone RPG!


#6 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 20 June 2014 - 09:25

Zo doe je nog eens ontdekkingen op Wizardzone, Petra! Leuk dat je leest. :D Ik al dan gelijk een nieuw hoofdstuk plaatsen voor je. Nummer 5 - we zijn op de helft van het verhaal.

Hoofdstuk 5

Als Marianne om zich heen keek en alles op leeftijd bekritiseerde, was er heel veel oud. Meneer van Wilgenburg bijvoorbeeld, met de diepe rimpels in zijn voorhoofd en de nauwelijks te scheren groef onder zijn onderlip, zag eruit als een verschrompeld beukenblad dat hardnekkig de hele winter aan een boom bleef hangen. Hij was de vijftig levensjaren gepasseerd; oud, maar nog lang niet oud genoeg voor een plekje in het museum van Oudheden. Zelfs de schilderijen die geproduceerd waren tijdens de gouden eeuw waren nog te jong om hier te mogen hangen. De Chinese vazen echter, pronkten volledig terecht in een glazen vitrine die verder gevuld was met allerlei oninteressantheden, zoals speerpunten en kralen uit het stenen tijdperk.
Op de foto van meneer van Wilgenburg hadden de vazen puntgaaf geleken, maar in het echt was duidelijk de tand des tijds te zien. Het porselein-achtige materiaal was ook grover dan het hedendaags geproduceerde kitch en het was niet beschilderd.
“Ik vind ze lelijk,” meldde Cornelia, wiens grootste passie jugendstil was.
“Als jij net zo oud als die vazen bent, zie je er waarschijnlijk nog veel slechter uit.” Het deed Marianne deugd om haar enige vriendin te zien lachen, zoals ze nu deed.
“Jij ook altijd, haha! Tegen die tijd besta ik niet meer, dan ben ik vergaan!” Theatraal gooide ze haar armen in de lucht alsof ze uit wegvliegende insecten bestond. “Opgelost! Het leven is te kort - je kan er maar beter van genieten. Niet zo’n serieus gezicht trekken, kom.”
Lachen, het deed bijna pijn aan Mariannes gezicht. Misschien lachte ze alleen ‘s nachts, zoals ze ook alleen ‘s nachts huilde. Ze was zich er niet van bewust.
“Ik ben niet gekomen om te lachen,” zei ze toen maar om Cornelia tot bedaren te brengen. “Waarom laat mijn vader vazen uit China komen? Zo bijzonder zijn ze niet. Bijzonder oud, dat wel, maar mooi? Nee. Een publiekstrekker? Lijkt me ook niet.” Ze bekeek ze aan alle kanten, maar kon niets ontdekken wat haar interesseerde, niets wat haar aan haar vader deed denken, niets wat ze in verband kon brengen met de rest van haar vaders bezigheden.
“Geen idee,” zei Cornelia met een zucht. “Volgens mij zijn archeologie en kunst twee verschillende takken van sport. Als je vader vroeger sprak, dan had hij het altijd over de femmes fatale van hoe heet hij ook alweer…”
“Gustaf Klimt.”
“Ja, die! En over reclameaffiches die zo mooi zijn dat iedereen ze thuis op wil hangen!”
“Van Alfons Mucha, ja, klopt. En over de schoonheid van kubisme en surrealisme -”
“En de kunst van het weglaten,” lachte Cornelia.
“En over Piet Mondriaan en zijn expositie in het Stedelijk Museum.” Tussen het praten door bleven Mariannes ogen op de vazen hangen, maar haar woorden en haar zicht konden niet met elkaar in verband worden gebracht. Nog één keer deed ze een stap dichterbij, bestudeerde zelfs de onderkant, maar ontdekte niets. De door het museum toegevoegde uitleg was op een klein kaartje naast de vazen te lezen. Ook daar was niets bijzonders te ontdekken, totdat haar oog op minuscule lettertjes onderaan de uitleg viel: mogelijk gemaakt door de firma Klaproos & co.
Zou haar vader de ‘co’ van firma Klaproos zijn geweest? En waarom was ze die naam nog niet eerder tegengekomen in de administratie of waar dan ook? Was was Klaproos voor een bedrijf?
“... en echt hoor, Marianne, ik begrijp dat je hem mist. Wat voor schilderijen ik ook bekijk; zonder de verhalen van je vader is het niet meer hetzelfde. Ga je trouwens mee? Ik heb het wel gezien hier en Mitchel staat buiten te wachten.”
Ongeduldig tikte Cornelia met haar nagels tegen de deurpost van de doorgang die de hal scheidde van de entreezaal. Marianne had de helft van wat ze zei, volledig gemist.
“Ik kom zo, ga maar alvast als je liever een momentje met Mitchel hebt.” Cornelia liet het zich geen twee keer zeggen. Vrolijk draaide ze twee keer om haar as en danste toen de deur door, volledig in beslag genomen door de liefde, waarvan Marianne zeker wist dat ze later alle details zou horen als ze samen thee zouden drinken.
Firma Klaproos & co. Het was haar nooit eerder opgevallen dat musea en bedrijven samenwerkten, maar misschien was dit een uitzondering. Het kon natuurlijk ook zo zijn, dat ze al veel vaker over kleine lettertjes heen gelezen had. Het zou haar niet verbazen.
Volgens de grotere lettertjes werden de vazen gebruikt om offerandes aan voorouders te brengen. In Azië was het gebruikelijk om een speciale ruimte in te richten om overleden opa’s en oma’s, alsmede de ouders en grootouders daarvan, te eren en hen bloemen en lekkernijen te brengen. Immers; als voorouders goedgezind waren, stond de levende generatie een rijke tijd op aarde te wachten.
Ik eer ook liever mijn echte vader dan de vader die volgens zuster Agnetha aanbeden hoort te worden. Niet door een gebed, niet door bloemen en etenswaren, maar door iets te doen wat mijn vader zelf niet kon doen. Nog veel langer bleef ze naar de vazen staren, maar uiteindelijk besloot ze Cornelia's geduld niet langer op de proef te stellen.

De wind joeg onaangenaam door de Leidse straten. Het weer was duidelijk omgeslagen na de onweersbui van gisteren; sindsdien werd vanuit het westen koele, zilte lucht aangevoerd. Marianne trok haar stola wat strakker om haar schouders en zocht de straat af naar een glimp van haar vriendin, een kobaltblauwe auto en een blonde jongen met een bril. Ze zag hen echter niet; er was in het geheel niemand te zien.
Denkend aan waar Mitchel zijn auto geparkeerd zou kunnen hebben, liep ze zomaar naar rechts in de hoop de goede kant uit te gaan. Als ze Dominicks advies op zou volgen, zou ze naar links moeten gaan en naar huis kunnen lopen. Ze zou niet op zoek moeten gaan, maar juist het feit dat ze Mitchel niet vertrouwen kon, intrigeerde haar. Hij had ook een rare voornaam; het klonk wel erg on-Hollands. Waarom had Dominick zoiets gezegd? Sinds ze Dominick kende, had hij haar nog nooit op die wijze gewaarschuwd.
Misschien was het dom om van haar huis af te lopen, maar hoe meer stappen ze zette, hoe minder pijnlijk haar knie was. Bovendien zorgde de lichaamsbeweging ervoor dat ze het wat warmer kreeg. Ze zou ook in de rondte kunnen wandelen, linksaf het Noordeinde op, daarna nog twee keer links en dan kon ze het Rijksmuseum van Oudheden vanaf de overkant van het water zien. Als ze dan wandelde tot de volgende brug, was ze bijna thuis.
Ze ademde diep in, liet haar haren als het water golven in de wind en zette vastbesloten de ene voet voor de andere. Eenmaal de hoek omgeslagen, zag ze de Renault van Mitchel langs de kant van de weg staan en ze kon het niet nalaten er teleurgesteld over te zijn. Hij zag haar in zijn achteruitkijkspiegel en stapte uit de auto, waarna hij zijn bril terug op zijn neus duwde. Echter; voordat ze ook maar iets kon zeggen tegen hem, werd ze van achteren vastgegrepen door een viertal handen en met kracht op de grond geduwd. Haar eerste gedachte was dat dit het werk van Dominick was; in al haar koelbloedigheid verwachtte ze niemand anders, vooral niet na zijn afkeurende woorden van die ochtend.
"Wat doe je?" riep ze dan ook, maar in de eerste halve seconde daarna zag ze dat Dominick er niet was, dat Mitchel zijn armen over elkaar had geslagen en toekeek, en dat twee vreemde mannen een deken over haar heen gooiden. Een flinke klap tegen haar achterhoofd volgde.

Waar was ze? Niet thuis, in bed. Haar bed was zacht en nu was de ondergrond hard. De deken die haar hoofd bedekte, rook naar brand… of was de brand van buiten de deken? Ze worstelde en kroop zijwaarts over de vloer, maar haar handen zaten vastgebonden achter haar rug.
"Is er iemand?" riep ze. "Maak je bekend!"
Niets.
"Maak me los!" riep ze, nu wat harder. Niemand antwoordde. De adem die ze nodig had om te kunnen roepen, terroriseerde haar keel. Het was niet goed. Kuchend en proestend probeerde ze zichzelf te bevrijden, maar niets hielp.
"Dominick! Dominick!" Haar stem nam in kracht af, net als haar ademhaling. Het was zo benauwd, zo verstikkend en warm. "Dominick… ik beveel je, kom me halen..." Er was geen zuurstof om te kunnen inademen, zeker niet nu haar hoofd in een deken zat met touwen om haar nek en schouders.
"Excuseer voor het wachten, juffrouw Marianne. Het valt niet mee om een brandend gebouw te betreden als het ook nog eens wordt bewaakt."
Dominick tilde haar op en voerde haar mee, waarbij ze zich naar zijn stevige greep vleidde. Een kort moment later kon ze ademen en ontdeed Dominick haar van de touwen en het deken.
"Wat is er gebeurd?" vroeg ze. Duizelig hing ze tegen hem aan en snoof zijn pepermunt-sinaasappelgeur op. De geur van vertrouwen.
"U zal me eerder moeten roepen als u in een dergelijke situatie zit," zei Dominick. Hij aaide haar over haar haren. "Is alles in orde?"
"Wat was het brandende gebouw waarin je me vond?" vroeg ze zonder acht te slaan op zijn bezorgdheid.
"Een loods, juffrouw. Ik heb drie heren neer moeten slaan voordat ik u kon bevrijden."
"Een loods? Van wie? Wie wilde me vermoorden?"
"De drie heren die de loods bewaakten, juffrouw Marianne. Kennelijk hadden ze u naar binnen gegooid, waarna ze met benzine de wanden hebben overgoten en een lucifer hebben afgestreken."
"Ik wil naar huis," pruilde ze. Haar hoofd duizelde nog van de klap die ze gekregen had en voor haar ogen dansten zwarte sterretjes als ze om zich heen probeerde te kijken. Nu ze dat deed, ontdekte ze dat ze in een ander stadsdeel was; ze stond voor de Zijlpoort bij de haven, grenzend aan de Herensingel. Boven de huizen hing de rookpluim die de brandende loods had verspreid. In de verte was het alarm van een brandweerwagen te horen.
"Zoals u wilt, juffrouw," zei hij geruststellend.

Het nieuws verspreidde zich even snel als het vuur; in de avondkrant stond de brandende loods breed uitgemeten gerapporteerd. Uitgeput zat Marianne op haar bed, met bonzende hoofdpijn en met een rauwe keel. De krant lag op haar schoot, maar ze las alleen de koppen, waar ze telkens opnieuw haar ogen over liet glijden om de letters met elkaar te verbinden. Brand loods Firma Klaproos eist drie levens.
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#7 Peetje

Peetje

    Forum oma & Opperste Hotemetoot!

  • +Administrators
  • 12857 Posts:
  • Locatie:Achter de pc
  • Geslacht:Zeg ik lekker niet!

Gepost 26 June 2014 - 20:03

Ah, daar is de firma Klaproos weer. En die Mitchel is dus inderdaad niet te vertrouwen.

Ik heb een tikfoutje gevonden:

“Als jij net zou oud als die vazen bent, zie je er waarschijnlijk nog veel slechter uit.” Het deed Marianne deugd om haar enige vriendin te zien lachen, zoals ze nu deed.


  • 1

Draco Dormiens Nunquam Titillandus...

Ontdek het verhaal op de nieuwe Wizardzone RPG!


#8 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 27 June 2014 - 10:13

Tikfoutje verholpen! :D Bedankt voor het lezen en reageren!

Hoofdstuk 6

Klaprozen. Rood bloeiende eendagsbloemen. De kleur deed haar aan Dominicks furie denken, de duivelse verschrikkingen waarvan ze zeker wist dat hij die bezat, hoewel hij het haar nooit zou laten zien. Vanwege het contract was ze daar vrij zeker van; Dominick zou altijd Dominick blijven zo lang zij haar ogen op hem richtte.
“U bent een ware Picasso, juffrouw,”
Ze keek op vanaf haar papier, waarop ze naast wat losse notities klaprozen aan het tekenen was.
“Hou op met je vlijerij,” zei ze dwingend, maar ondertussen bestudeerde ze zijn irissen, die vaak net als klaprozen rood met een donker hart waren. Momenteel was daarvan echter niets te zien; zijn ogen waren warm bruin, de kleur die haar vader burnt umber zou noemen. Een onmisbare kleur voor de kunstschilder.
“Zoals u wilt.” Zijn woorden waren nederig en zelfverzekerd tegelijk. “Aangezien u bezig bent met het tekenen van klaprozen, dacht ik u van dienst te zijn met deze prenten.”
Hij legde een stapeltje dikke, kartonnen kaarten op tafel, afkomstig uit de studieruimtes van Hortus Botanicus, de botanische tuinen van Leiden. Allen waren aquarellen van verschillende soorten klaprozen, kunstig, maar niet als kunst bedoeld.
“Mooi,” sprak ze meer tegen zichzelf dan tegen Dominick. “Als bioloog mag je de hele dag naar zulke fraaie tekeningen kijken.”
“Of kikkers ontleden, juffrouw.”
Als antwoord trok ze haar neus op, waarna ze aan Dominicks ademhaling kon horen dat hij zacht lachte. Ze pakte een wit vel papier en legde de eerste kaart er als voorbeeld naast. Daarna begon ze te schetsen. Zachte potloodlijnen vormden bloemblaadjes. Niet zo mooi als op de prent, maar het was niet slecht te noemen.
“U bent er redelijk goed in, juffrouw.”
“Had ik je niet gezegd te stoppen met me te complimenteren?” Ze kon hem ook wegsturen zodat ze alleen zou zijn en de gebeurtenissen van de vorige dag kon vergeten, maar als ze eerlijk was, hield ze hem het liefst zo dichtbij mogelijk. Ingespannen tekende ze door, nog duizelig van de klap die ze gisteren op haar hoofd had gehad en waardoor ze nauwelijks nachtrust had gehad. Soms zuchtte ze en dan vielen haar oogleden vanzelf dicht, maar zodra haar gedachten droombeelden werden, was ze weer klaarwakker. Dominick had het in de gaten; hij ging achter haar staan en legde zijn handen op haar schouders. Zacht masseerde hij de spanning eruit.
“Dominick?”
“Ja, juffrouw?”
“Heb jij die mannen van gisteren -?”
“Nee.”
Ze draaide zich om op haar stoel en zag een andere gezichtsuitdrukking dan zojuist, omdat hij op het randje van zijn contract liep door haar niet uit te laten spreken. Liegen was menselijk, de waarheid spreken was duivels. Volgens Dominick was dat geen mening, maar een feit.
Hij schraapte zijn keel: “Nadat u mij geroepen had, wilde ik de loods binnengaan, maar ik werd tegengehouden door uw ontvoerders, die mij probeerden te doden met een jachtgeweer. Nu zit er een gat in mijn vest. Ik heb hen met een stok geslagen totdat ze niet meer opstonden en daarna ben ik naar u toegegaan.”
De inwendige storm die haar gemoedsrust verstoorde, wilde maar niet gaan liggen. De gebeurtenissen waarover Dominick vertelde, hadden plaatsgevonden in de seconden tussen haar roep om hem en het moment dat hij haar optilde. Voor hem was het volstrekt normaal om dingen met een dergelijke snelheid te doen.
“Je hebt hen niet per ongeluk doodgemept?” vroeg ze kritisch.
“Ik heb geen ziel het lichaam zien verlaten, juffrouw, maar ik heb geen acht geslagen op hun veiligheid. Mijn prioriteiten liggen bij u.”
Ze herinnerde zich de foto in de krant, waarop te zien was hoe de pui van het pand naar voren gevallen was na het instorten van het dak. Onder het puin waren de lichamen gevonden. Desondanks voelde Marianne nog geen greintje medelijden met de mannen, omdat ze een gat hadden gegraven voor een ander en er zelf ingevallen waren. Haar enige brandende vraag was waarom.

Langzaam nam de inwendige storm in kracht af, zo lang ze maar tekende, want van het maken van huiswerk kreeg ze kippenvel. Vele andere dingen probeerde ze te doen op deze loze zondag, maar uiteindelijk beviel de doelloosheid van het maken van tekeningen haar wel. Zeker als Dominick in andere gedeeltes van het huis vertoefde; hij had nooit een vrije dag en kon zichzelf uitstekend bezighouden met overbodig huishoudelijk werk zoals het verschonen van onbeslapen bedden.
Inmiddels stonden er drie verschillende klaprozen op het papier; de Papaver rhoeas, de Papaver hybridum en de Papaver argemone. De volgende noemde men in het Nederlands 'oosterse klaproos' en in het Latijn Papaver orientale. Net als de vazen, waren deze klaprozen uit Azië afkomstig. Lang bleef ze naar de prent staren, alsof ze de vorm in haar gedachten wilde etsen. De grote bloembladeren met de uitgedroogde kartelranden waren kenmerkend voor deze soort. Azië… waarom was dat de enige kleine link die ze kon leggen?
Dominick had zojuist heel luchtig gereageerd op het feit dat er op hem geschoten was. Voor hem betekende een kogel niet veel meer of minder dan schade aan zijn kleding. Voor haar lagen de feiten anders, want als hij menselijk geweest zou zijn, had hij het als eerste niet overleefd en dan had hij haar ook niet kunnen redden. Die gedachte maakte haar dankbaar, in staat om Dominick meer te geven dan hem nu toekwam, hoewel hij niets extra's aanvaarden zou. Voor hem was het heel gewoon om haar uit vlammenzeeën te redden, het instinct van de contractgebonden duivel volgend. Somberheid verdreef haar dankbaarheid. Wilde ze nog wel achter de geheimen van firma Klaproos & co komen? Was het firma Klaproos geweest die achter de moord van haar familie zat, en zo ja; was dan met de dood van die drie mannen haar wraak voltooid? Was haar ziel nu al rijp genoeg om door Dominick te worden gegeten? Was haar definitieve einde binnen handbereik en de extra tijd de ze gekregen had, nu al voorbij? Was het tijd om afscheid te nemen van haar volledige bestaan?
Er liep een traan over haar wang, een teken van zwakte. Dominick zou het afkeuren als hij het zag, want van alle mensen die hij had kunnen kiezen, had hij haar gekozen wegens het feit dat haar ziel sterk was, de moeite waard, bitterzoet. Tranen zouden een smet zijn op haar ziel. Snel veegde ze hem weg, maar ze was te laat. Het zoute vocht vermengde zich met haar tekening en zorgde voor een ronde vlek. Teleurgesteld om het mislukken van haar tekening bleef ze er nog een tijdje naar staren totdat haar traan volledig door het papier was opgenomen.
"Is er iets mis, juffrouw?"
Verdorie, Dominick had haar door. Hij was het vertrek in komen lopen zonder dat ze het in de gaten had gehad. Niet dat hij zich geluidloos voortbewoog, maar ze was gewend aan zijn nabijheid en te diep in haar gedachten verzonken geweest.
"Niets," loog ze. "Ik heb een vlek op mijn tekening, dat is alles."
Hij blikte over haar schouder naar het vel en pakte daarna het stapeltje kaarten van de hortus van tafel.
"Ik meen me te herinneren dat er ook een ronde klaproos bij zat, wellicht kun je van de vlek een bloem maken en dan zal niemand het zien." Snel schudde hij de prenten zoals hij met een kaartspel zou doen, waarna de bovenste de goede bleek te zijn. Triomfantelijk hield hij de kaart omhoog. "Deze bedoelde ik, juffrouw. De Papaver somniferum."
Het was de goede vorm, maar dat was niet wat haar aandacht trok. Ook de paarsrode kleur was geen reden om op te veren en de kaart uit Dominicks hand te grissen. Zelfs de Nederlandse naam 'slaapbol' schudde haar nog niet wakker. Het was een notitie van een bioloog; handgeschreven in hoofdletters van zwarte inkt, tweemaal onderstreept en met een uitroepteken voorzien: OPIUM!
"Opium?" Ze leunde even achterover, tikte met haar nagels tegen de kaart en zuchtte. "Drugs. Dat zou heel veel verklaren. Heb ik morgen nog les van meneer van Wilgenburg? Hij zal het wel weten."
"Meneer van Wilgenburg zou hier morgen rond twee uur zijn, juffrouw."
"Goed."
"En in de ochtend heeft u nog Franse les van zuster Agnetha."
"Oui, je sais déjà." En ze wist ook al dat Dominck het dagprogramma morgenochtend nog eens herhalen zou, als wederom om zeven uur op exact dezelfde wijze als de vorige dagen een nieuwe dag begon.
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#9 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 05 July 2014 - 10:14

Hoofdstuk 7

Om zes over vijf in de ochtend trok er iemand aan de deurbel. Marianne opende haar ogen en dacht eerst dat ze het gedroomd had, maar toen het gerinkel zich alsmaar herhaalde, ging ze rechtop in haar bed zitten.
"Wie doet er nou zoiets?" vroeg ze zich hardop af. Met tegenzin schoof ze haar voeten in haar pantoffels en liep naar het raam. Turend door een kiertje van haar gordijnen kon ze duidelijk drie personen in het maanlicht zien staan. Door het dunne raamglas kon ze het gesprek beneden volgen, toen Dominick eenmaal open had gedaan.
"U staat onder arrest," hoorde ze een zware stem zeggen. "Plaats uw handen tegen de muur en zet uw benen een stukje uit elkaar."
Vliegensvlug rende Marianne in haar nachtjapon de slaapkamer uit en stormde de trap af.
"Wat heeft dit te betekenen?" riep ze al voordat ze het ongewenste bezoek had bereikt. Dominicks ogen stonden bezorgd.
"Juffrouw, u bent wakker. Het spijt me dat ik niet kon verhinderen dat deze drie heren uw nachtrust verstoorden."
Achter hem werd een pistool op scherp gezet, te horen aan een zachte klik.
"We hebben een arrestatiebevel," zei de kleinste man. Hij zag er grimmig uit, alsof hij al jaren de criminaliteit had bestreden en hij van iedere zaak een rimpel op zijn paarse wallen had bijgekregen.
"Voor wie en waarom?" vroeg ze zonder enige emotie te laten zien.
"Voor je bediende, de heer D. Soeteman, leeftijd tweeëntwintig jaar, woonachtig bij zijn werkgeefster - omdat wij een ooggetuigeverklaring hebben van de gebeurtenissen bij de brandende loods zaterdag jongstleden."
De agent die deed alsof hij het bevel voorlas, maar in werkelijkheid driekwart van de tekst oversloeg, verplaatste zijn blik en bleef daarna naar de deurpost staren. De andere twee stonden op het punt Dominick in te rekenen, maar de duivel negeerde hen volledig. Bang voor een kogel hoefde hij ook niet te zijn.
"Wat wilt u dat ik doe, juffrouw?"
Ze schudde haar hoofd en haalde haar schouders op. Ze wist het niet.
"U heeft geen keus. We hebben een arrestatiebevel - dan moet u mee," hielp de agent met het pistool hen herinneren.
"Als bediende van juffrouw Marianne, volg ik uitsluitend hààr bevelen op, meneer." Dominick draaide zich naar haar toe, met zijn rug naar de agenten, ook al riskeerde hij daarmee een gat in zijn fluwelen ochtendjas.
"Ga met hen mee, Dominick," zei ze zacht.
"Zoals u wilt." Hij gaf een nederig knikje met zijn hoofd, waarbij zijn ogen heel even rood opgloeiden. "Redt u het wel?"
"Natuurlijk," zei ze hoogmoedig, maar zo zeker was ze er niet van.

Uren later maakte ze voor het eerst sinds ze haar familie had verloren ontbijt voor zichzelf klaar. Het smaakte anders; niet alleen de thee, maar ook de toast. Het één was te sterk, het ander lichtelijk verbrand. Doorgaans haalde Dominick altijd vers brood ergens vandaan, en hij stond zo'n beetje met een zandloper naast de thee om het nooit te kort of te lang te laten trekken. Misschien had hij er wel magie of andere duivelse trucjes voor.
Ze had zelf de krant uit de brievenbus gevist nadat ze de bezorger hem erin had horen proppen. De pagina's waren verfrommeld en gescheurd, wat haar het idee gaf dat Dominick iedere ochtend het krantenpapier met een hete strijkbout gladstreek. Toen het bijna tijd was om naar de MULO te gaan, was er geen enkel nieuwsbericht dat in haar gedachten was blijven hangen. Ze keek even in de spiegel boven de haard en beeldde zich in dat Dominick achter haar stond. Uw haren, juffrouw. Gewoontegetrouw streek ze de kam enkele malen over haar achterhoofd en pakte een haarspeld die qua kleur overeenkwam met haar kleding; paars. Ze zuchtte, aangezien ze weinig zin had om op pad te gaan. Samen met Dominick waren alle dagen hetzelfde voor haar gevoel, maar ze was nu op zichzelf aangewezen en eenzaamheid maakte de ochtend nog veel saaier. Nu de duivel er niet was, moest ze toegeven dat ze hem miste zoals ieder persoon een levensgezel zou missen, en omdat hij altijd zo keurig deed wat zij verlangde, verwarde het haar des te meer.
Met haar koffertje vol schoolboeken, inkt en kroontjespennen stapte ze even later eenzaam door de Leidse straten. Ze had een stukje verderop de paardentram kunnen pakken, maar het regende niet en haar knie was alweer bijna helemaal beter, dus ze zag de noodzaak er niet zo van in. Op haar platte damesschoenen stapte ze dapper door, wetende dat Dominick echt wel komen zou als ze hem sommeerde. Een politiecel zou bij lange na niet voldoende zijn om hem gevangen te houden, omdat hij zijn eigen duivelse manieren had om te ontkomen. Echter; hij zou niet vluchten omdat zij tegen hem gezegd had mee te gaan. Haar wil was sterker dan tralies.
"Hallo, Marianne!" hoorde ze ineens. Vanuit de Donkersteeg dook een bekend gezicht op.
"Cornelia," zei ze verbaasd. "Waar was je nou zaterdagmiddag? En -" Met een schok herinnerde ze zich het gezicht van Mitchel, die in alle rust toekeek hoe ze ontvoerd werd. "En waar is je vriend?"
"Maak je geen zorgen, het is niet alsof we al getrouwd zijn! Kan nog komen, natuurlijk, aangezien mijn vader hem een geschikte schoonzoon vindt. Ben je erg alleen, nu Dominick is opgepakt? Ik kwam je eigenlijk gezelschap houden, maar nu ik je hier pas zie, kan je wel zeggen dat ik aan de late kant ben. Maar ik dacht nog; misschien ga je wel met de tram en loop je de andere kant uit, of -"
Marianne was dichterbij gestapt en had haar wijsvinger over Cornelia's mond gelegd, waarop er direct een stilte viel.
"Hoe weet je dat? Dat Dominick vanmorgen is ingerekend, bedoel ik," zei ze dwingend.
"Mmm!" antwoordde Cornelia door haar gesloten lippen heen. Haar ogen waren groot en haar blik zag er geschrokken uit.
"Nou, eh, dat zit zo…" begon ze schuchter toen Marianne haar hand weer teruggetrokken had. "Het is Mitchel geweest die ooggetuige was. Hij heeft aangifte gedaan! Het is echt een rechtlijnige man, die actief hulp biedt aan de politie en ook heeft hij als detective allerlei duistere zaakjes opgelost! Is hij niet fantastisch? Alsof er een engel uit de hemel is neergedaald, wat een geschenk!"
Blozend en met veel gebaren zette Cornelia haar liefdesrelaas kracht bij. Ze glimlachte breed, sloeg haar handen ineen en maakte huppelsprongetjes over de kinderhoofdjes, in tegenstelling tot Marianne, die stil naast haar verderslenterde.
"Geweldig..." mopperde ze sarcastisch. "En ondertussen keek hij gewoon toe hoe criminelen mij ontvoerden!"
"Jou?" vroeg Cornelia met opgetrokken wenkbrauwen.
Wat u ook doet, juffrouw Marianne, vertrouw hem niet! Dominicks waarschuwing lag haar nog helder voor de geest. Ze wilde haar vriendin best alles vertellen wat er was gebeurd, maar de staat waarin Cornelia momenteel verkeerde, zou er hoe dan ook voor zorgen dat het Mitchel ten gehore kwam. Wijselijk hield ze haar mond en Cornelia relativeerde snel.
"Ach, Marianne… Je loopt hier toch, gezond en wel! Ik begrijp het hoor, als je er niet over praten wil - en anders ben ik echt een luisterend oor en kan je me opzoeken als je je verhaal kwijt wil. Mitchel en ik zullen je altijd helpen, al is het middenin de nacht!"
"Ik ga naar school," meldde Marianne. Ze was er nu toch al bijna, ze kon de ingang met de glas-in-loodramen al zien.
"Oké. Zal ik straks ook met je terug naar huis lopen?" Cornelia's aanbod klonk aantrekkelijk, maar de kans was aanwezig dat ze die Mitchel mee zou nemen en in dat geval zou ze proberen hem een oog uit te steken.
"Nee, dank je," antwoordde ze dus maar.

Zingend gaf de non les; niet omdat ze veel chansons kende, maar omdat ze de Franse taal met veel verschillende toonhoogtes doceerde. Het niveau was niet veel hoger dan papa fume un pipe, maar met een non in haar nopjes was het vermakelijk te noemen. Marianne betrapte zich zelfs op een glimlach toen zuster Agnetha met haar hand op haar borst een Napoleon-imitatie weggaf: 'Onmogelijk is een woord dat je alleen tegenkomt in het woordenboek van idioten!' en het vervolledigde met een kleine geschiedenisles waarbij ze het hele klaslokaaltje nodig had om haar armgebaren de ruimte te geven.
Bij Mariannes lessenaartje bleef ze echter even staan en keek met haar ijsblauwe ogen bijna dwars door haar heen. Marianne dook een beetje ineen van de blik die haar gevoelsmatig uitkleedde.
"Na de les wil ik je even spreken," zei zuster Agnetha streng.
"Bien sûr," antwoordde ze zacht. Aangezien ze zich niet misdragen had, vroeg ze zich af wat de non te melden had. Misschien zat haar haar niet goed? Blouse verkeerd dichtgeknoopt? De rest van de Franse les kon ze nauwelijks haar gedachten erbij houden.

"Jongedame," zei zuster Agnetha met een zucht. "Ik wilde je enkele dingen zeggen, maar deze school is daarvoor niet de geschikte plek. Laten we naar de Hartebrugkerk gaan."
Marianne knikte alleen maar, omdat ze doorgaans niet de persoon was die een non veel vragen zou stellen en al helemaal niet om haar kritiek te uiten ten opzichte van de kerk. Het missen van een fatsoenlijk geloof maakte haar wel kritisch, maar gaf haar nog niet de kracht om zuster Agnetha in de rede te vallen of op andere manieren het vuur aan haar schenen te leggen. Wel bleef ze naast haar lopen toen ze de school verlieten en de korte wandeling naar de Hartebrugkerk maakten, ook al was het voor veel mensen de gewoonte om Zusters van Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid voor te laten gaan. Voor Marianne was er geen standsverschil tussen geestelijken en atheïsten, ze waren beiden menselijk, dat was alles.
De Hartebrugkerk liet haar even naar zich opkijken; de witte muren torenden boven de andere panden uit en dwongen respect af. Alleen de kerk zelf vond Marianne ontzagwekkend; de inhoud ervan vond ze nietszeggend, vooral niet nu ze het duivelse wonder kende.
Zuster Agnetha klopte twee keer op de enorme houten deur, waarna die op mysterieuze wijze op een kiertje kwam te staan.
"Kom, kom binnen, kind." Een oudere zuster bleek de deur geopend te hebben, niet sterk genoeg om hen joviaal toe te laten. Zuster Agnetha hielp haar verder, waarna ze zelfs voor de oudere non boog en zoiets als 'moeder overste' mompelde.
"Heb je weer een visioen gehad, zuster Agnetha?" vroeg de oude dame.
"Ja. Dit is de leerlinge om wie het gaat. Ik weet het zeker, en ik weet ook dat ik het haar moet vertellen."
"Voor de dag ermee," zei Marianne. Ze wilde weg uit de kerk. De plek zinde haar niet.
"Laat me even wat uitleggen, jongedame," zei de oude non. "Zuster Agnetha is ons altijd erg behulpzaam bij het vooruitplannen van begrafenissen, aangezien zij een door God gegeven gave heeft. Op die manier is het voor ons ook gemakkelijk wie het sacrament der stervenden zal verkrijgen.”
“Gave?” vroeg Marianne. Het vooruitplannen van begrafenissen, wie wilde nou zoiets? Dat kon geen gave zijn, maar alleen een vloek!
Zuster Agnetha gaf een trieste, bevestigende glimlach.
“Het is een gave, inderdaad. Zuster Agnetha ziet wie er op de dodenlijst staat."
"Oh," zei Marianne. "En wie -?" Op dat moment werd het haar duidelijk: zuster Agnetha had een visioen gehad over haar dood. Op Mariannes armen kwamen de haren overeind en er trok een rilling over haar rug. Het ging om hààr begrafenis! "Waarom vertelt u een gezonde negentienjarige vrouw dat ze doodgaat?" riep ze kwaad.
Zuster Agnetha maakte een sussend gebaar en de oude non pakte haar hand.
"Om je de kans te geven puur te zijn als je gaat. Het is nog niet te laat om Gods wegen te bewandelen, mijn lief kind."
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#10 Peetje

Peetje

    Forum oma & Opperste Hotemetoot!

  • +Administrators
  • 12857 Posts:
  • Locatie:Achter de pc
  • Geslacht:Zeg ik lekker niet!

Gepost 10 July 2014 - 18:43

Ow, ik had hier gereageerd tijdens de foutmeldingen, en helemaal vergeten dat dat dus niet gepost was...

Laten we maar hopen dat die begrafenis nog even op zich laat wachten, des te langer kunnen we van je verhaal genieten.
  • 1

Draco Dormiens Nunquam Titillandus...

Ontdek het verhaal op de nieuwe Wizardzone RPG!


#11 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 23 July 2014 - 10:57

Lang genieten? :o Mooie opmerking! Helaas is dit komende hoofdstuk alweer het voorlaatste. Daarna is er nog wel een proloog, maar dat kan je geen hoofdstuk noemen... of wel?


Hoofdstuk 8

Gebeeldhouwde ogen keken haar aan; van Maria, van Jezus en van talloze engelen waarmee de kerk was gedecoreerd. De ogen joegen Marianne angst aan. Hoe was ze hier ook alweer terecht gekomen, en waarom? Alles ging voorbij in een roes, veel te snel, net als het leven zelf. Vooral het hare was veel te kort.
Tussen de banken, de kaarsen, beelden en pilaren waren echte ogen zichtbaar. Twee achter een halfrond brilletje; van zuster Agnetha, en twee lichtgrijze ogen van moeder overste keken haar vriendelijk aan.
"Reinig jezelf door te bidden en te biechten, kind," zei zuster Agnetha smekend. "Maak jezelf los van het verleden en vraag vergiffenis. Het is nog niet te laat."
Marianne deed een stapje in de richting van de uitgang.
"Waarvoor?" vroeg ze. "Ik heb geen toekomst, ik ga dood."
"Er is altijd een hiernamaals." De oude non was er vrij zeker van, ook al was ze er nog nooit geweest. Haar vingers speelden met een rozenkrans, of althans; zo leek het. Marianne wist dat iedere kraal die door de gerimpelde vingers gleed, een weesgegroetje was.
"Dat is uw geloof, niet een feit," zei ze koud en zette een tweede pas dichter naar de deur.
"Marianne, alsjeblieft," probeerde zuster Agnetha nog, maar Marianne schudde haar hoofd.
"Als baby ben ik gedoopt, ik heb mijn eerste heilige communie gedaan en het vormsel ondergaan toen ik twaalf was, maar als u me begraaft, mag dat in ongewijde aarde." Resoluut draaide ze zich om en overbrugde de laatste meters naar de uitgang. Eenmaal buiten zette ze het op een lopen en rende zonder om te kijken naar huis.
Doodgaan. Ze wist hoe het was om het leven te verliezen en daarom was ze niet bang, maar ze keek er niet naar uit. Langer leven, meer tijd, meer antwoorden op haar vragen was wat ze wilde, het liefst zoals ze in de voorbije tijd had geleefd met Dominick aan haar zijde. Nu durfde ze Dominick niet eens te roepen, aangezien hij en de dood innig met elkaar verstrengeld waren.
Buiten adem stak ze de sleutel in het slot van haar groengelakte deur, ging naar binnen en haalde het postvakje aan de binnenzijde leeg. Het huis was koud, maar toch trok ze haar jas uit en hing hem aan de kapstok. Langzaam normaliseerde haar ademhaling, hoewel haar hart nog onaangenaam bonkte. Ze legde even haar hand op haar borst. Binnenkort staat het stil, volgens zuster Agnetha. Daarom was ze ook zo geschrokken enkele dagen geleden, toen ze Engelse les gaf. Het leek haar eng om zuster Agnetha te zijn en van iedere persoon te weten wanneer magere Hein langs zou komen. Er trok een koude rilling langs haar rug toen ze naar de keuken liep. Niet van afgrijzen, hield ze zichzelf voor. Het was gewoon kil in huis.
Er was geen lunch, er was immers niemand die het klaargemaakt zou kunnen hebben. In de koektrommel vond ze een laatste koekje, dat ze gelijk opat, waarna ze thee zette en de post opende. Zittend aan de keukentafel doorkliefde een schillenmesje de enveloppes. Normaal gesproken was alle post - behalve de persoonlijke - voor Dominick, die, zoals het een goede persoonlijke assistent betaamt, raad wist met belastingpapieren, facturen en ongewenste uitnodigingen. Driekwart van de post legde ze daarom ongezien opzij, totdat haar interesse werd getrokken door een handgeschreven brief die aan haar persoonlijk was gericht.

Beste Marianne,

Het spijt me te moeten mededelen dat ik vanaf heden mezelf terugtrek als leraar kunstgeschiedenis. Deze middag zal ik je dan ook geen les komen geven om 14:00 uur. Ik neem aan dat je hiervoor een reden zal willen hebben en die zal ik je proberen uit te leggen.
Mijn beste vriend (jouw vader) en ik waren kunstliefhebbers met een grote K, altijd op zoek naar oude meesters, verborgen schatten en nieuw talent. Echter; je vader zei ooit tegen mij: 'Als je in kunst handelt, sta je met één been in de hel.'
Hij had gelijk. Het grote geld werd door ons verdiend met kunstgrepen; de handel in opium, schilderijvervalsingen en het feit dat wij de overtuigingskracht hadden om van alledaagse voorwerpen kunststukken te maken. De vazen in het Rijksmuseum voor Oudheden zijn daar een prachtig voorbeeld van, aangezien ze volledig gevuld met opium uit Azië geïmporteerd werden.
De firma Klaproos, onze compagnon in vele illegale zaken, was het volstrekt met mij oneens over het feit dat ik je op de hoogte stelde. Ik had het voornemen je niet alles te vertellen, maar had er het volste vertrouwen in dat jij de zaak tot op de bodem uit zou zoeken zonder mij daarin nodig te hebben. Tegelijkertijd vertrouwde ik erop dat de liefde die je voor je vader koestert, voldoende zou zijn om bepaalde zaken te laten rusten en niemand bij de politie aan te geven. Echter; in het bijzijn van de heer Onderwater begaf je jezelf naar het museum en dat bleef niet onopgemerkt. Hij is een positieve bekende van de politie, de vijand van iedere crimineel.
Wat Klaproos & Co daarna deed, namelijk een poging tot moord, ging ver buiten mijn boekje. Eerder wist ik eigenlijk al waartoe ze in staat waren, toen ze de saboteur van je vaders auto met een nijptang zijn vingers afknipten. Afgrijselijk.
Ik zie het dan ook als een speling van het lot, of misschien de straf van god, dat de drie gebroeders van Klaproos en Co niet langer onder ons zijn. Een opiumverslaafde man zei me ooit eens; 'als de slechte mensen elkaar koudmaken en de laatste zichzelf, zijn we mooi van het zooitje af.' Op dat moment dacht ik nog te weten wie er het laatst lacht, maar nu weet ik dat ik dat niet ben.

Tabee, dochter van mijn beste vriend.
Vaarwel.

Hoogachtend,

G. V. D. van Wilgenburg.



Ze las de brief twee keer, het laatste stukje zelfs drie keer. Haar vader had haar altijd de persoon geleken die nooit van het rechte pad af zou wijken, maar nu meneer van Wilgenburg het aan haar schreef in wat een afscheidsbrief leek te zijn, nam ze het teleurgesteld als waarheid aan. Het was een biecht en een vaarwel, want een afscheid zo vol overtuiging dat ze elkaar niet meer zouden zien, kon weinig anders betekenen dan dat de man zijn leven aan de wilgen gehangen had. Haar handen trilden toen ze de brief opvouwde en terug in de enveloppe deed. Zou ze hem nog kunnen overtuigen in leven te blijven? Of zou hij alreeds… Vlug trok ze haar jas weer aan en en ging naar buiten, poolshoogte nemen bij het huis van meneer Wilgenburg aan de Nieuwe Rijn. Hij woonde daar alleen, had geen vrouw en kinderen, maar wel een huishoudster die dagelijks bij hem poetste.
Op een snelle wandelpas begaf ze zich via een smalle straat die 'het Gangetje' heette naar de brug over de Nieuwe Rijn. Misschien zou zij wel degene zijn die meneer van Wilgenburg als eerste dood aan zou treffen. Ze was er bij voorbaat misselijk van. Hoe zou hij zich van het leven beroven? Heeft hij een pistool? Dergelijke gedachten passeerden haar terwijl haar wandelpas steeds meer op hardlopen begon te lijken, omdat de hoop dat hij nog leven zou, met iedere pas verder leek te vervliegen.
Plotseling botste er iemand tegen haar op. Deze persoon was vanuit de laatste zijstraat voor de brug gekomen en daardoor had ze hem niet opgemerkt. De klap was hard en perste alle lucht uit haar longen. De terugslag zorgde ervoor dat ze plat op haar gat op straat viel.
"Au!" riep ze geschrokken. Ze bekeek haar handpalmen die beiden beschadigd waren, waarna haar ogen zich richtten op de persoon tegen wie ze was opgeklapt. Hij was blijven staan, als een blok beton, en leek nergens last van te hebben. Haar ogen verwijdden zich: voor haar stond niemand minder dan Mitchel Onderwater, die zijn bril terug op zijn neus duwde voordat hij sprak.
"Nieuwsgierig?" vroeg hij.
"Nieuwsgierig voor wat?" vroeg ze nors. Ze begreep dat hij haar niet zou helpen op te staan, dus krabbelde ze op eigen kracht overeind.
"Je rol als domme, onwetende bakvis is erbarmelijk, Marianne." Hij greep haar arm vast en loodste haar hardhandig de Botermarkt op. Aan de overkant van het water was het huis van meneer van Wilgenburg te zien, dat door politieagenten ingenomen leek te zijn. In het water dreven allerlei boten met mensen die de Nieuwe Rijn aan het dreggen waren, op zoek naar bewijsstukken.
"Vanmorgen vroeg, voordat het licht werd, heeft meneer van Wilgenburg zich verdronken door met een juten zak vol stenen aan zijn nek het water in te springen." Mitchel had haar losgelaten, maar ze wist dat als ze weg zou rennen, hij haar onherroepelijk in zou rekenen. Hij klonk opgeruimd, bijna blij toen hij verder sprak: "Weer een onzuiver persoon minder in de stad!"
"Onzuiver?" vroeg ze. "Meneer van Wilgenburg was een goed en aardig persoon!"
"Oh ja? Enig idee hoeveel mensen er kapot zijn gegaan aan opium? Hoeveel mensen er misleid zijn, failliet zijn gegaan, bestolen zijn?" Hij boog zich voorover en fluisterde in haar oor: "Hoeveel mensen je vader dood wensten, omdat hij alleen maar naar je moeder luisterde?"
"Mijn moeder?" riep ze uit. "Mijn moeder was-"
"Je moeder was de meest extravagante, geldverslindende dame van heel Leiden. Er was nooit genoeg geld om iemand zoals zij te onderhouden!"
Met stomheid geslagen keek Marianne hem aan. Hij scheen het allemaal nogal goed te weten, maar daarvoor was hij dan ook de vrees van iedere crimineel, zoals zowel meneer van Wilgenburg als Cornelia haar hadden verteld.
"Zeg eens, Marianne," vroeg hij, ditmaal op een zachte toon. "Jij bent in het hiernamaals geweest. Heb je je ouders daar gezien?"
"Ja," loog ze. In werkelijkheid was ze er alleen met haar broer Huibrecht geweest. Als haar ouders haar vergezeld hadden, zou ze nooit het contract met Dominick hebben afgesloten om terug naar aarde te keren. Dan had ze aan haar vaders hand de hemel betreden. Nu pas begreep ze dat de man die haar jeugd had bepaald, de man die ze als klein kind op een voetstuk had gezet, de man die in haar gedachten zachtaardig, liefhebbend en gul geweest was, in werkelijkheid zoveel zonden had begaan dat de hemelpoort voor hem gesloten bleef. Dominick had hem gezien, maar hij had nooit gezegd waar precies. Waarschijnlijk in het eeuwig brandende vuur. Bang keek ze naar Mitchel, die over haar oordeelde zoals God zou doen.
"Onzuiver ben je," zei hij vol walging. "Een slecht mens. De wereld is beter af zonder jou en je duivelse bediende."
"Dominick," zei ze.
Mitchel minachtte haar met een lach die haar liet sidderen.
"Ja, roep hem er eens bij. Dan kan hij zien hoe ik je ziel tot me neem op een minder milde wijze als zuster Agnetha probeerde te doen."
Ze zette een stap achteruit, net zoals ze in de Hartebrugkerk had gedaan. Het moment waarop ze begon te rennen, kwam echter veel eerder. Vanmiddag had ze gerend uit ongeloof, uit verwarring en van schrik, maar nu was de doodsangst levensgroot en het enige wat ze kon doen was het geven van een bevel; het noemen van de naam die al zo vaak over haar lippen gekomen was. 'Dominick, Dominick, Dominick!' Vlak achter haar rende Mitchel, grijpend naar haar kleding, maar ze wist zich meerdere keren los te rukken. Ze rende, plaatste vliegensvlug haar ene voet voor de andere, waarbij de pijn in haar knie opspeelde en ze last kreeg van de bult achterop haar hoofd, daar waar ze bewusteloos geslagen was. Blind van pijn en paniek wist ze niet waar ze naartoe moest rennen. Ze kon geen plek bedenken die veilig was en koos daarom onbewust van alle plekken de meest onveilige. De catastrofe was compleet toen bleek dat ze zich had klemgelopen in een doodlopende steeg. Met haar rug tegen de muur hapte ze naar adem, terwijl Mitchel rustig op haar af kwam. Hij leek zich totaal niet ingespannen te hebben om haar in te halen.
"Laat mij de wereld van onzuiverheden zoals jij bevrijden," zei hij plechtig. Nu pas zag Marianne een kort mes in zijn linkerhand, klein genoeg om te verbergen, groot genoeg om haar om het leven te brengen.
"Ik heb niets misdaan," wierp ze nog tegen. Ze duwde haar rug tegen de vochtige koude muur en hoopte erdoorheen te kunnen vallen, maar alles wat ze zei en deed, was tevergeefs. Mitchel hief het mes hoog op, waar het blonk in een zonnestraal die door een raampje op de bovenverdieping werd weerkaatst, en stak het met kracht in haar borst. "Dominick!" gilde ze hoog en hard.
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#12 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 04 August 2014 - 15:18

Hoofdstuk 9

Was een mensenleven dan zo gemakkelijk te verliezen? Twee keer, zelfs? Het korte mes had haar diep geraakt en het deed immense pijn. Mitchel trok het vliegensvlug weer terug; klaar om haar met een tweede messteek toe te takelen, maar hij miste omdat ze als een pudding door haar knieën zakte. Rillend proefde haar lijf de vieze steeg, de plek waar honden steevast hun urine loosden en waar soms bezopen daklozen overnachtten. Misschien had Mitchel gelijk en behoorde ze tot het afval van de stad.
Ze sloot haar ogen en aanvaardde al bijna haar verlies, totdat ze de geur van sinaasappel met pepermunt opving. Dominick. Een fluistering bereikte haar oren, alsof de bakstenen van de muur waartegen ze lag, haar zacht toespraken.
"Wat zijn uw orders, juffrouw Marianne?"
"Dood hem," wenste ze vanuit de grond van haar hart.
"Zoals u wilt. Open uw ogen niet voor de komende zesenzestig seconden."
Ze wilde vragen waarom dat niet mocht, maar besloot geen tijd te verdoen en voor één keer gehoorzaam zachtjes te tellen. Ondertussen hoorde ze eerst hoe Mitchels voetstappen zenuwachtig de straat raakten. Hij werd door Dominick aangevallen, maar het geluid liet haar denken dat hij aan het tapdansen was op een lied vol vloeken.
Op de zesde seconde riep Mitchel: "Tevergeefs, smerige duivel!" en op de zestiende: "Ga dood!"
"Doodgaan staat niet in mijn contract," meldde Dominick. Daarna klonk er een pistoolschot, op de zesentwintigste seconde precies. Warme en koude wind blies door de steeg, vermengd met zenuwachtige stemmen van politiemensen die het gevecht hadden opgemerkt.
"Blijf op een afstand!" hoorde Marianne Mitchel roepen op de zesendertigste seconde, maar wist niet tegen wie. Er klonk een diep gegrom, als een ontwakend beest. Marianne was nieuwsgierig en wilde haar ogen open doen, maar het lukte niet. Haar oogleden zaten potdicht en met alle wilskracht die ze had, kreeg ze ze niet geopend. Het mocht ook niet van Dominick, een van de weinige eisen die hij in al die tijd dat hij bij haar was, had gesteld.
Vijfenveertig, zesenveertig - een vrouw gilde zo hard dat het op de Breestraat te horen moest zijn. Misschien was het de gil van Cornelia, de vriendin waar ze nooit echt vriendinnen mee geweest was. Marianne kende haar al heel lang, vanaf de kleuterschool. Eenenvijftig, tweeënvijftig… Ze voelde het bloed haar lichaam verlaten en wenste dat de seconden sneller voorbij zouden gaan. Steeds slapper telde ze verder en ook de sinaasappel-pepermuntgeur werd zwakker. Een hond jankte.
"Dood hem, Dominick. Doe wat ik je zeg!" Geluidloos bewogen haar lippen, maar ze was er zeker van dat hij haar aanmoediging kon horen. Vierenzestig, vijfenzestig - een knal liet de ramen springen en aangezien ze niet in staat was zich te beschermen, regenden glasscherven op haar neer en gleden door haar huid alsof het zachte boter was. Zesenzestig.
"Mag ik mijn ogen open doen?" vroeg ze stemloos. Het bleef stil. "Dominick?"
Zwijgen is toestemmen, dacht ze, en trachtte iets te zien. Tussen haar wimpers door tuurde ze naar de ravage; een kunstig kleurenspel van grijze stenen, rood bloed en scherven die de kleuren weerkaatsten. Uit de hemel sneeuwde het talloze witte en zwarte veren. Het is voorbij, was haar conclusie. Wederom zakten haar oogleden toe.

Alles was zwaar. De lucht, haar armen en benen, haar hoofd. Haar lichaam had eerst schokkerig op straat gelegen, maar de ongecontroleerde bewegingen waren nu gestopt. Ze rilde niet meer. Er was geen pijn. Er was helemaal niets. Er was heel veel niets.
“U heeft lang geslapen, juffrouw Marianne.”
Aarzelend openden haar ogen zich. Ze lag niet meer in een vieze, doodlopende steeg in Leiden, maar in een wei waar klaprozen uitbundig bloeiden. Boven haar scheen de zon tussen de schaapjeswolken door. Een friszoete bries liet het gras golven en haar zijden jurkje dansen zoals de klaprozen. Verbaasd kwam ze een stukje overeind en keek naar Dominick, die in zijn zondagse pak naast haar op het picknickkleed zat.
“Heb jij deze jurk voor me gekocht?” Het was de korte, vuurrode jurk uit de etalage van haar favoriete kledingwinkel. De transparante laagjes speelden om haar lijf; ze voelde zich mooi.
“Ja,” antwoordde Dominick. “U ziet er goed uit vandaag.”
“Waar ben ik?” was haar volgende vraag. Ze keek hem aan en merkte op dat zijn pupillen ovaal waren en zijn irissen roodgloeiend.
“De tussenwereld,” antwoordde hij. “Je bent hier eerder geweest, maar toen was het mistig.”
“Ik ben dood,” zei ze ietwat teleurgesteld, “en jij kan nog maar om één reden bij me zijn.” Hij zou haar lichaam van haar ziel scheiden en alleen het nuttige gebruiken zoals zelfs de prachtigst ontworpen parfumfles uiteindelijk alleen geliefd was om wat erin zat.
Dominick bleef stil naar haar kijken en Marianne richtte haar gezicht naar de zon. Hoewel ze wist wat haar boven het hoofd hing, probeerde ze van het moment te genieten.
“Die wolk lijkt op mijn vader,” zei ze. Ze wees naar de wolk die net voor de zon schoof.
“Mensen zeggen wel vaker dat ze fragmenten uit het leven zien, voorafgaand aan hun dood,” zei Dominick. De wolk vervaagde en de schaduw maakte de temperatuur koeler. Er ontstond kippenvel op haar huid, een laatste teken van leven. Toen Dominick in de gaten kreeg dat ze het koud had, legde hij zijn jasje om haar schouders en wreef haar armen warm.
“Wat voor iemand was Mitchel?” vroeg ze, zomaar uit het niets. “Een duivel, net als jij?”
“Nee,” antwoordde hij, terwijl hij dichter naar haar toe schoof en haar tegen zich aan liet leunen om het haar zo comfortabel mogelijk te maken. “Hij was een gevallen engel, een wezen dat uit de hemel verbannen is.”
"Zat hij achter de dood van mijn familie?"
"Wie weet… ik weet wel, dat de man die daadwerkelijk de remmen van je vaders auto saboteerde, overleden is aan de verwondingen die hij opliep bij martelingen in de loods van firma Klaproos & Co."
"Ik denk dat die man betaald werd," zei ze in de volle overtuiging dat mensen soms alles deden voor geld. “Het zou me niet verbazen als meneer van Wilgenburg dat heeft gedaan.”
“Mij ook niet,” viel Dominick haar bij.
Er viel een stilte, waarin een nieuwe vraag in haar opwelde.
“Waarom moest ik zesenzestig seconden mijn ogen dichthouden?”
“Om uw ziel te beschermen tegen mijn afzichtelijkheid.” Hoewel ze dit antwoord verwachtte, maakte de bevestiging van haar vermoedens angst in haar los. Stomme, menselijke gevoelens.
Ze vleide zich gerieflijk tegen de duivel aan in een poging haar binnenkant zich net zo aangenaam te laten voelen als de buitenkant. Ze was bang, maar wilde niet vluchten. Sinds haar eerste dood had hij haar gediend en het was tijd om hem te geven wat hij wilde. Uiteindelijk had ze haar eigen leven harder verdedigd dan dat van haar familie en was haar wraak alleen al uitgevoerd door simpelweg op aarde te zijn. Ze herinnerde zich een regel uit de brief van Meneer van Wilgenburg: als de slechte mensen elkaar koudmaken en de laatste zichzelf, zijn we mooi van het zooitje af. Onverschillig dacht ze dat het er nu allemaal niet meer toe deed. Het was voorbij, er restte niet veel meer dan herinneringen, die bij de meeste mensen al vlug vervagen zouden, aangezien ze nergens een diepe indruk had achtergelaten. Misschien zou Cornelia een traantje laten. Misschien zou zuster Agnetha een weesgegroetje voor haar bidden. Meer niet.
“Ik ben er klaar voor,” zei ze zacht. Hij glimlachte naar haar en streelde haar wang.
“Nooit verwacht dat deze opdracht bij u vandaan zou komen, juffrouw Marianne.” Het was vreemd, want hij was veel dichterbij dan gewoonlijk. Niet als een duivel, niet als een bediende, maar als een geliefde. Langzaam boog hij zich naar haar toe. “Het kan pijn doen, maar ik zal voorzichtig zijn.”
“Dat is niet nodig. Ets de pijn maar in mijn ziel, zodat je het proeven kan.” Wederom glimlachte hij, legde zijn handpalm op haar wang en leidde haar naar zich toe. Als ze niet beter zou weten, zou ze worden gekust.
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#13 Peetje

Peetje

    Forum oma & Opperste Hotemetoot!

  • +Administrators
  • 12857 Posts:
  • Locatie:Achter de pc
  • Geslacht:Zeg ik lekker niet!

Gepost 14 August 2014 - 19:38

En zo wordt het op het einde toch nog wat raadselachtiger.
Jammer dat het alweer bijna voorbij is. Zoals ik al zei, ik ken het origineel niet, maar deze versie is een plezier om te lezen.
  • 1

Draco Dormiens Nunquam Titillandus...

Ontdek het verhaal op de nieuwe Wizardzone RPG!


#14 Blossom

Blossom

    Isn't it Wonderful? Just with my voice!

  • Member +
  • 758 Posts:
  • Geslacht:Heks
  • Interesses:Schrijven, vooral veel schrijven!

Gepost 24 August 2014 - 13:43

Dankjewel, Petra! Het origineel is (vooral) ook visueel een sterk staaltje kunst, wat in woorden niet te omschrijven is. Momenteel draait de serie; 'Kuroshitsuji: Book of Circus' waarvan ik soms episodes twee keer kijk omdat er zo veel te zien is aan knappe gezichten in gekleurde decors.

Nu hier dan het allerlaatste stukje van dit schrijfsel. Hopelijk hebben er nog meer mensen van genoten (of zullen er nog veel mensen van gaan genieten). Ik heb het met veel plezier en toewijding geschreven. :smalhart:


Epiloog

"Waarom heb je het niet gedaan? Mijn ziel opgegeten, bedoel ik." Marianne stond bij haar familiegraf, waar haar lichaam enige tijd geleden in een witte kist bij dat van haar ouders en broer was gezet.
"Niet omdat ik niet wilde," antwoordde Dominick. Hij stond schuin achter haar en legde zijn hand op haar schouder. "Een goede ziel op zijn tijd versterkt de duivel, maar er zijn zwaar wegende condities: het contract."
Een tijd lang bleef ze naar haar sterfdatum kijken; 19-05-1923. Toen ze alle cijfers bij elkaar had opgeteld, keek ze hem vragend aan.
"In het contract stond dat u niet zou sterven voordat uw levensdoel was bereikt. Kennelijk was u er nog niet - of had u een heel ander levensdoel. Ik neem aan dat Mitchel uw ziel net zo graag wilde hebben als ik. Een duivelscontract verbreken door een ziel te stelen, is typisch een daad van een gevallen engel."
"Maar..." Marianne snapte er niets van. "Waarom ben ik er dan nog? Waarom heb je me gemaakt tot wat je zelf bent? Op deze manier kan ik je nooit betalen voor alles wat je voor me hebt gedaan en bovendien heb ik je nooit gevraagd een duivel te laten ontstaan vanuit mijn ziel."
Een mysterieuze glimlach verscheen zowel om zijn mond als in zijn ogen.
"Ik kon u niet aan uw lot overlaten. De hemelpoort is voor u gesloten op het moment dat wij ons contract opstelden. Uw aardse lichaam was te beschadigd om u weer menselijk te maken en ik vond het wreed om u te laten spoken. Van de mogelijkheden die ik had, koos ik de minst slechte."
Resoluut draaide ze zich naar hem toe en prikte met haar wijsvinger tegen zijn borst.
"En jij noemt jezelf een duivel? Duivels hóren toch wreed te zijn? Een échte duivel zou mijn ziel in mijn half-vergane lichaam hebben teruggestopt en me de rest van mijn mensenleven als een kasplantje hebben behandeld, maar jij niet. Jij kiest voor het minst slechte, zeg je, maar de enige goede reden die ik bedenken kan, is eigenbelang."
Een harde lach walste tussen de vele grafzerken door.
"Eigenbelang! Juffrouw Marianne, u bent geweldig. Wel, laten we zeggen dat ik dacht: als ik de ziel niet mag, mag niemand hem." Hij had de priemende vinger van zijn borst gehaald en haar hand warm omsloten met de zijnen. Een volgende vraag lag op het puntje van haar tong, maar ze sprak hem niet uit. Nu ze zelf alle duivelse dingen kon doen die Dominick altijd deed en bovendien de wereld vanuit een ander perspectief bekeek, wist ze het antwoord op haar vraag al.
"Geweldig? Je overschat me nogal, Dominick," zei ze koel. "Maar ik neem aan dat je niet liegt."
"Duivels liegen niet. Heeft u trouwens al geprobeerd te liegen? Zomaar iets onwaars te zeggen? Neem de proef maar eens op de som." Uitdagend keek hij haar aan.
Gras is paars, dacht ze uit alle macht. "Gras is groen," verliet haar mond, direct gevolgd door: "Jeetje, wat ongemakkelijk!" De charmante lach die hij daarna liet horen, irriteerde haar. Dominick, ik haat je vanuit de grond van mijn hart! "Dominick ik h-" ze sloeg haar beide handen voor haar mond, aangezien ze er zeker van was dat het de één of andere liefdesverklaring zou bevatten. De vraag die ze eerder had willen stellen was dan ook: Zijn duivels in staat om lief te hebben? Het antwoord had ze in haar eigen hart gevonden.
"Wat zou u ervan zeggen, juffrouw Marianne, als wij voorlopig een tijdje samen blijven?" vroeg hij toen hij uitgelachen was.
"Was je van plan me te verlaten?" Kennelijk had hij het in overweging genomen en dat verbaasde haar niet. Hij gaf dan ook het antwoord dat ze verwachtte.
"Er is geen sprake meer van een contract tussen ons beiden. Daarbij bent u duivels genoeg om alleen te zijn en uw stoutste dromen na te jagen. U heeft mijn hulp niet nodig, daar ben ik zeker van."
De zomerbries liet de transparante laagjes van haar rode jurkje wapperen in de wind. Dominick had haar handen losgelaten en stond tegenover haar alsof hij nog steeds haar bediende was. Een bediende die voorbereid was op een slecht nieuws gesprek; zelfverzekerd en toch ook nederig, ook al was het contract hardhandig en eenzijdig verbroken. Marianne bleef naar hem en zijn perfecte mensenverschijning kijken; hij was naar haar wensen gecreëerd. Ook nu hij iedere vorm die hij maar wilde aan kon nemen en iedere naam zou kunnen dragen, verkoos hij dit boven de miljoenen opties die hij had.
"Ik vind het goed als je voorlopig bij me blijft - of ik bij jou, 't is maar net hoe je het bekijkt." Ze ontwaarde opluchting op zijn gezicht. Waarschijnlijk had hij in afwachting van haar antwoord zijn adem ingehouden. "Op één voorwaarde."
Zijn plotselinge, verbaasde frons was plezierig om naar te kijken, maar toch gaf ze hem geen tijd om te zeggen dat het geven van commando's en het stellen van voorwaarden verleden tijd was.
"Ik wil voortaan worden getutoyeerd," zei ze hooghartig.
Glimlachend boog hij als een bediende voor haar, maar toen hij overeind kwam en zich in zijn volle lengte oprichtte, was hij haar vriend.
"Zoals je wil, Marianne."
  • 0

Kunstgrepen
The Roaring Twenties and the Art of Living


#15 Peetje

Peetje

    Forum oma & Opperste Hotemetoot!

  • +Administrators
  • 12857 Posts:
  • Locatie:Achter de pc
  • Geslacht:Zeg ik lekker niet!

Gepost 28 August 2014 - 19:33

En ik heb het met veel plezier gelezen, zoals eigenlijk al jouw verhalen. :D
Leuke plotwending, en een beter einde dan wat er eigenlijk had moeten gebeuren.
  • 1

Draco Dormiens Nunquam Titillandus...

Ontdek het verhaal op de nieuwe Wizardzone RPG!





1 gebruiker(s) leest/lezen dit onderwerp

0 leden, 1 gasten, 0 anonieme gebruikers