Jump to content
Wizardzone - Harry Potter Community
Sign in to follow this  
Charlotte_1981

Als Harry’s vader nog zou leven. (vervolg op oneshot verhalenkluis)

Recommended Posts

[font="Tahoma"]Buiten mijn oneshots van de oneshotclub en mijn verhalenkluis heb ik besloten om ook weer eens een langere fanfic te schrijven. Deze fanfic gaat verder, waar mijn verhaal in mijn verhalen kluis met het onderwerp Harry Potter geëindigd is. Veel plezier.[/font]

[size="5"][b]Als Harry’s vader nog zou leven.[/b][/size]
[size="4"][b](vervolg op oneshot verhalenkluis)[/b][/size]

[size="3"]Proloog[/size]

[i]Even vertel ik in het kort wat voor dit verhaal is gebeurd. Harry’ s moeder was vermoord door de meest gevreesde tovenaar aller tijden. James Potter was slechts verlamd geweest. Hagrid ontdekte Harry in het wiegje en Sirius Zwarts heeft kunnen vaststellen dat James ook nog leefde en is opzoek gegaan naar de verader. Harry en James waren verhuisd naar Klein Zanikem. Toen Harry eenmaal ouder was ging hij naar een basisschool waar toevallig ook zijn neefje Dirk op zat. Op een dag werd Harry op de hielen gezeten door maatjes van Dirk Duffeling en is terwijl hij achter de vuilnisbakken wilden schuilen op het dak van de schoolkeuken beland. Harry Potter was een tovenaar en James was zo trots op een pauw. Hij vertelde Harry alles over de toverschool waar Harry naar toe zou gaan: Zweinstein Hogeschool voor Hekserij en Hocus pocus.
[/i]

[size="3"]Hoofdstuk 1[/size]

Harry luisterde aandachtig naar de verhalen van zijn vader. Hij zat zo wat op zijn vaders lippen. Hij wilde echt alles weten over Zweinstein en over de tijd dat James op de school zat en over hoe hij en zijn moeder elkaar hadden leren kennen en van elkaar gingen houden.
‘Zweinstein, moet je weten heeft vier afdelingen.’ vertelde James. ‘Je hebt Griffoendor, Huffelpuf, Ravenklauw en Zwadderich. De tovenaars en heksen op die vier afdelingen zitten hebben allemaal andere eigenschappen.’
‘O, gaaf.’ zei Harry. ‘Wat zijn de eigenschappen van die afdelingen, pap?’
‘Leerlingen van Griffoendor, zijn dapper en ridderlijk, die van Huffelpuf zijn trouw en ijverig, die van Ravenklauw zijn slim en nieuwsgierig en die van Zwadderich ambitieus en sluw. Ook komen van die laatste afdeling de meeste duistere tovenaars vandaan.’
Harry’s mond viel open bij dat laatste.
‘Dan hoop ik dat ik niet bij Zwadderich kom.’ zei Harry beslist. ‘Bij welke afdeling zaten jij en mama?’
‘Wij zaten allebei op Griffoendor Ook Sirius, wat heel bijzonder is, want de meesten van zijn familieleden kwamen in Zwadderich. Waaronder zijn broer.’ vertelde James.
‘Waar is die Sirius nu, pap?’ vroeg Harry.
‘Geen idee, Harry.’ antwoordde James. ‘Sinds die keer dat hij kwam kijken hoe het met ons ging heb ik hem niet meer gezien. Eigenlijk sinds hij naar de verrader op zoek ging, heb ik niks meer van hem gehoord.’
James keek een beetje beteuterd na dat hij het vertelde, vond Harry. Hij vroeg aan zijn vader waarom hij ineens zo sip keek. James vertelde hem dat Sirius zijn beste vriend was en dat hij zich ongerust maakte over hem. Dat was natuurlijk niet zo vreemd dat een van je beste vrienden niks meer van zich laat horen, terwijl er geen teken was van ruzie of zo.
‘O, wat erg.’zei Harry. ‘Heb je echt geen idee? Ook geen vermoeden?’
‘Ja, ik heb de dag dat we hier pas woonden en jij nog je eerste stapjes zette, ooit in de krant gelezen dat er dertien doden zouden zijn gevallen, waarvan twaalf dreuzels. En dat er een knappe tovenaar met donker haar gearresteerd werd.’ zei James. ‘Die signalementen leken sterk op die van Sirius, maar ik kan het niet geloven, dat hij die dertien moorden gepleegd heeft.’
‘Oh. Wat erg. Weet je ook wie die dertiende dode was?’ vroeg Harry.
‘Ze hadden het er over dat er van een tovenaar alleen een vinger was gevonden. En die eigenaar daar van Peter Pippeling was. Hij was de geheimhouder toen Voldemort nog aan de macht was.’ vertelde James.
‘Pap? Wie is of eigenlijk was Voldemort?’ vroeg Harry nieuwsgierig.
‘Een duistere tovenaar die uiteraard op Zwadderich heeft gezeten.’ antwoordde James.
Het was duidelijk dat James niet graag over die periode sprak. Harry kon het wel een beetje voorstellen. Harry dacht na. Zijn vader vertelde net dat een ene Peter Pippeling geheimhouder was. Zou hij dan die verader zijn geweest? En dat Sirius achter hem is aangegaan om hem te grazen te nemen? Dat leek Harry waarschijnlijker dan het verhaal dat in de krant gestaan had.
‘Pap, zou die Pippeling de verader van jullie aan die moordenaar van mama geweest zijn?’ vroeg Harry.
‘Ik neem aan van wel.’antwoordde James.
James Potter keek naar buiten. Het begon donker te worden. Ook keek hij even op de klok boven de open haard.
‘Harry, ik denk dat ik maar even wat eten voor ons klaarmaak. Het is hoogtijd.’zei James. ‘Of heb je geen trek, nadat ik je vertelde over de vermissing van Sirius en de vermoedelijke dood van Pippeling?’
‘Wel, ik barst van de honger.’ antwoordde Harry.
James glimlachte weer een beetje en hij ging de keuken in. Even later kwam James weer terug met twee borden pasta. Hij liep naar de eettafel en zette daar de twee borden neer. Harry stond op van de bank en ging aan tafel zitten. Hij zat nog niet of hij begon zijn bord gretig leeg te eten. James echter, kreeg geen hap door zijn keel.
‘Wat is er pap? Heb je geen honger?’ vroeg Harry bezorgd.
‘Nee, eigenlijk niet.’ antwoordde James. ‘Wil jij mijn portie?’
‘Nee, ik heb genoeg gegeten. Het was erg lekker pap.’ zei Harry.
‘Dank je, Harry.’ zei James. ‘Dan denk ik dat ik het restje in de koelkast zet. Dan kan ik als ik toch trek krijg het alsnog op eten.’
Het voegde de daad bij het woord. Even later kwam hij weer terug in de huiskamer. Hij vroeg of Harry nog iets wilde doen. Daar voelde Harry wel wat voor. Ook James wilde wel nog iets leuks gaan doen, al was het om zijn zinnen te kunnen verzetten.
‘Wat wil je gaan doen Harry?’ vroeg James.
‘Ik wil eigenlijk best iets buiten de deur doen.’ zei Harry.
James stelde voor om dan met zijn tweeën naar de Wegisweg te gaan. Harry was daar nooit geweest dus daar had hij wel oren naar. James liep naar de haard en pakte een pot van de schouw. Hij stak het uit naar Harry. Hij zag dat in de pot poeder zat.
‘Wat is dat voor pap?’ vroeg Harry.
‘Dat heb ik speciaal gekocht om ooit samen ergens op een vlugge manier ergens naar toe te gaan. Dit poeder heet brandstof. Dat is om via de haard te kunnen reizen.’ legde James uit.
‘Hoe ga je dan als je alleen ergens naar toe moet?’ vroeg Harry.
‘Dan verdwijnsel ik en aangezien jij dat nog niet mag, gaan we nu met brandstof. Jij mag eerst. Neem maar een handje.’
Dat deed Harry. Hij nam wat van het poeder in zijn hand.
‘En nu?’ vroeg Harry.
‘Dan moet je nu in de haard gaan staan en gooi je het poeder in het vuur en dan zeg je de bestemming. In dit geval Wegisweg. Wel duidelijk uitspreken, want god weet waar je anders terecht komt.’zei James. ‘O, wacht. Moet ik natuurlijk wel eerst de haard aanmaken.’ James pakte zijn toverstaf en wees naar de haard. ‘Incendio’
Niet veel later brandde er een knapperend vuur. Harry ging vertwijfeld in de haard staan en gooide de brandstof in de haard waarna hij ‘Wegisweg’ riep. Harder dan noodzakelijk, maar dan wist hij zeker dat het duidelijk genoeg was. Harry voelde dat hij bewoog. Hij zag allemaal kamers langs flitsen. Snel deed hij zijn ogen dicht en drukte hij zijn ellebogen tegen zijn lichaam aan. Niet veel later zag hij een ruimte met boeken. Hij remde af en viel pardoes een drukke winkel in.

Even later kwam James ook in de winkel. Hij was wat meer gewend om via de haard te reizen, want hij viel niet languit op de grond. Hij klopte wat as van zijn broek en liep naar Harry die helemaal onder het roet zat.
‘Ah, ik zie dat je goed aangekomen bent.’ zei James goedkeurend ‘En beviel het, met brandstof reizen?’
‘Nee.’ kuchte Harry. ‘Is er geen andere manier?’
‘Ja, verdwijnselen, met een viavia of gewoon op dreuzelmanier, natuurlijk.’ zei James. ‘Alleen dat laatste duurt wat lang.’
‘Nou, dan ben ik liever wat langer onderweg.’ zei Harry. ‘Waar zijn we eigenlijk?’ vroeg Harry terwijl hij om zich heen keek.
‘We zijn bij Klieder en Vlek. De magische boekenwinkel.’ antwoordde James. ‘Maar eerst gaan we naar de bank. Nu ik hier toch ben kan ik dat mooi doen. Ik begin er onderhad door heen te raken.’
James liep de winkel uit en Harry volgde. Hij keek zijn ogen uit. Hij wist dat hij tovenaar was, omdat zijn vader er ook een was, maar hij was nog nooit in die wereld geweest. Harry vond het prachtig. Hij keek terwijl ze over de Wegisweg liepen zijn ogen uit. Ze kwamen langs een winkel met allemaal uilen, een winkel met andere vreemde diersoorten en nog veel meer. Niet veel later liepen ze tegen een sneeuwwit gebouw aan. James hiel halt en Harry volgde zijn voorbeeld.
‘Hier zijn we dan, Harry. Dit is Goudgrijp. De tovenaarsbank, en dus de bank waar ik mijn kluis heb.’ zei James.
‘Een kluis, helemaal voor je zelf? Wauw.’ zei Harry vol ontzag.
‘Wij hebben er allemaal een. Niet even vol natuurlijk. En sommige hebben ook andere dingen dan geld in de kluis, maar ik heb er voornamelijk geld in. ‘zei James. ‘Maar dan geen ponden.’ voegde hij eraan toe.
‘Waar bewaar je dan de ponden? Hoe betaal je de school waarop ik zit dan?’ vroeg Harry.
‘Ik heb thuis een voorraadje ponden, maar niet zeggen hoor.’ antwoordde James.
James pakte Harry’s hand vast en liep samen met hem de bank binnen. Harry had nog nooit zo iets gezien. Het was een grote marmeren zaal met aan de rand allemaal balies. En aan de balies zaten allemaal wezens iets wat op geld leek te wegen. Helemaal aan het eind daarvan stond een soort hoge toonbank met daaraan nog zo’n wezen als langs de kant, maar die keek recht voor zich uit. Daar liepen hij en zijn vader naar toe. James bleef bij de toonbank staan en schraapte zijn keel om aandacht te trekken. Een mannetje met puntoren keek hem streng aan. Harry huiverde en deinsde een beetje achteruit. James merkte dat en er verscheen een grijns op zijn gezicht.
‘Je hoeft niet bang te zijn hoor.’ zei hij tegen Harry. Hij wendde zich weer naar het wezentje.
‘Wat is het pap?’ vroeg Harry wijzend naar het wezen.
‘Dat is een kobold, Harry.’antwoordde James. ‘En niet wijzen, want daar houden ze niet van.’
Dat klopte, want terwijl Harry naar hen wees gromde hij. Harry hield er snel mee op, maar bleef hem wel angstig aanstaren. De kobold keek weer naar James. En boog wat voorover om hem te kunnen aankijken.
‘U wilt?’ vroeg de kobold grommend.
‘Ik wil graag wat geld uit mijn kluis halen.’antwoordde James vriendelijk.
‘Sleutel.’ beval de kobold.
James gaf de sleutel, maar gaf geen krimp. Harry bewonderde zijn vader. Dat hij kalm en vriendelijk bleef bij zo’n onvriendelijke kobold. De kobold keek enigszins achterdochtig naar de sleutel, maar blijkbaar was het toch in orde want hij riep een andere kobold erbij.
‘Breng die twee naar hun kluis.’ zei de kobold tegen de andere die net verschenen was.
De andere kobold boog. En in tegenstelling tot die ene was hij wat vriendelijker toen hij vroeg of James en Harry hem wilde volgen.
‘Wat een verschil met die aan de toonbank.’ fluisterde Harry tegen James.
‘Er bestaan ook wel vriendelijke kobolden, nou ja vriendelijk, minder onvriendelijk dan de vorige dan.’ fluisterde James terug.
Ze gingen door een deur achter de toonbank en ze kwamen in een soort grot terecht. Harry vond het een grote overgang vergeleken die mooie marmeren hal. Even later kwamen ze bij een karretje op rails aan. James tilde Harry in het wagentje en klom er zelf ook in. Toen de kobold er ook in zat, begon er een dollemansrit.

Na wat wel uren leek stopten ze. James tilde Harry weer uit het wagentje. Eenmaal op de grond stond Harry te wankelen, alsof hij een hele fles rum op had. Dit was nog vreselijker dan met brandstof reizen, besloot hij. James zag er uit alsof hij het ook maar niks vond. Hij zag helemaal bleek, bijna tegen het groene aan. Hij zag er precies zo uit als Harry zich voelde. Ze volgden nog wankelend de kobold die een olielamp droeg. Even later stopte ze bij een kluisdeur.
‘Sleutel, graag’ zei hij.
James gaf hem de sleutel, en de kobold gaf de lamp aan Harry.
‘Houdt je even vast, wil je?’ vroeg de kobold bevelend.
Harry had geen kans om te antwoorden, want de kobold drukte de lamp zowat in Harry’s hand. De kobold draaide zich van Harry af en stak de sleutel in het sleutelgat in de deur. De kluisdeur zwaaide naar binnen open. Harry’s mond viel open van verbazing. James vond het de normaalste zaak van de wereld, zag Harry aan hem. James begon te lachen.
‘Je had nooit gedacht dat ik zo veel tovenaarsgeld heb, nietwaar?’ vroeg James grinnikend. ‘Ook vraag jij je zeker af hoe ik daar aan kom, hè?’
‘Ik neem aan dat je het verdiend.’ zei Harry.
‘Natuurlijk verdien ik dat geld. Ook heb ik wat van Lily geërfd. Wat jij op jouw beurt weer gaat erven van mij, als ik er niet meer ben.’ zei James. ‘Ja gaat er geen moord voor plegen hé?’
‘Nee, we delen het toch?’
James gaf geen antwoord, maar pakte van alles wat en stak dat in een buidel. De kobold sloot de deur. Liepen weer naar het karretje en gingen met net zo’n dolle rit als daarstraks ook weer terug. Na een paar seconden stonden ze weer in de grote marmeren zaal. James bedankte de kobold en liep samen met Harry de bank uit. Eenmaal buiten liet James Harry’s hand weer los.
‘Nu we het geld hebben. ‘Waar zullen we dan naar toe gaan?’ vroeg James.
‘Ik wil eigenlijk gewoon op de Wegisweg rondkijken. Ik heb al een paar interessante winkels gezien.’ antwoordde Harry.
‘L:aten we maar nog niet iets nemen, want mijn maag is nog een beetje van slag door die rit in goudgrijp. wat jij?’ zei James.
‘Ik ben ook nog een beetje misselijk, inderdaad. Maar als dat over is, lust ik wel een ijsje of zo.’ zei Harry.
‘O, dan weet ik wel een adresje. Zullen we eerst eens een kijkje gaan nemen in het “Zwik en Zwachtels Zwerkbalpaleis”?’ vroeg James verlekkerd.
‘Het wat?’ vroeg Harry op zijn beurt.
‘Dat is een winkel waar je onder andere bezemstelen kan krijgen. En zwerkbal is onze sport.’antwoordde James. ‘Ik was daar erg goed in, al zeg ik het zelf.’
‘O, heb je zwerkbal gespeeld?’ vroeg Harry verbaasd ‘Wat houd die sport in?’
James knikte bevestigend en begon uitgebreid over de sport te vertellen. Harry merkte dat hij niet de enige was die stond te luisteren. Nadat James het woord zwerkbal in zijn mond nam kwamen er tovenaars en heksen om hun heen staan. Dat niet alleen, sommigen keken geïnteresseerd naar Harry. Hij merkte dat en Harry begon rood te worden. James keek Harry glimlachend aan.
‘Dat was de rede dat ik je nooit meegenomen heb, naar de Wegisweg of de rest van de tovenaarswereld.’ zei James.
‘Wat bedoel je met “dat”?’ vroeg Harry.
‘Jouw beroemdheid, Harry.’antwoordde James.
Harry keek zijn vader met grote ogen aan. Waar had zijn vader het over? Hij beroemd? Hoe kwam hij daar nu bij? Hij was toch een gewone jongen? Nou ja een gewone tovenaar zoals pa. James zag dat Harry verbaasd was.
‘Je geloofd het niet, hé?’zei James ‘Toch spreek ik de waarheid. Ook ik ben zeer bekend in de tovenaarswereld, maar dat is omdat ik jouw vader ben.’
‘Niet alleen omdat je de vader van de beroemde Harry Potter bent, Potter.’ zei iemand uit het publiek.
James keek de man die dat zei fronsend aan. Blijkbaar mocht zijn vader die man niet, want hij glimlachte niet meer. Hij keek nu tamelijk verafschuwd. Harry keek naar de tovenaar. De man had een tanige huid een kromme neus en vettig haar tot aan zijn schouders ook droeg hij een zwart gewaad.. Harry merkte dat ook hij zich niet echt op zijn gemak voelde door de manier waarop de man naar hem keek. Harry trok aan James’ mouw.
‘Pap, wie is die man met dat vettige haar?’ vroeg hij.
‘Dat was iemand die in mijn tijd en jaar op Zweinstein zat. We hadden toen al een hekel aan elkaar.’ antwoordde James.
De tovenaar in het zwarte gewaad kwam op James en Harry af. En bleef vlak voor hun neus staan. Hij keek eerst naar Harry en toen duidelijk vol afschuw naar James.
‘Potter, dat ik jouw hier tref. Nooit gedacht dat jij nog leefde.’ zei hij. ‘En waar is Evers?’
‘Die is helaas dood, maar wat kan jou dat schelen, Secretus.’ zei James.
Harry keek zijn vader verwonderd aan.
‘Heet hij zo?’ vroeg Harry verbaasd.
‘Nee, zo noemde jou vader mij altijd toen we nog op Zweinstein zaten.’ antwoordde de man die Secretus werd genoemd.
‘Harry vroeg het aan mij, niet aan jou, Sneep.’ zei James.
‘Zo heet ik dus.’zei Sneep James negerend. ‘We ontmoeten elkaar ooit nog op Zweinstein, Potter. Maar ik moet nu naar de apotheek.’ Sneep keerde James de rug toe en schreed met ruisend gewaad weg.
‘Nu weet het dus,’ zei James. ‘Je bent wereldberoemd.’
‘Nou ik denk niet dat hij me echt roem toeschrijft. Volgens mij mag hij me niet.’ zei Harry die Sneep nakeek.
‘Kom, we gaan naar het zwerkbalpaleis.’zij James.
Hij nam Harry mee naar een winkel met in de etalage allemaal bezemstelen. Buiten de bezemstelen waren er ook gewaden in verschillende kleuren en met logo’s uitgestald aan etalagepoppen. Ze liepen de winkel binnen. Ze waren nog niet in de winkel of er kwam iemand verrast naar hun toe.
‘James Potter.’ zei hij. ‘Wat een aangename verrassing.’
James glimlachte. Kennelijk kende James hem, maar dat niet alleen. In tegenstelling tot Sneep kon hij het goed met de man vinden, merkte Harry. Zijn vader liep op de man af en begon elkaar te flink de handen te schudden.
‘Wat leuk je te zien. Ik zie dat je werk hebt gevonden.’ zei James.
‘Gelukkig wel. Maar ik werk hier om de twee weken alleen overdag.’ zei de man..
James glimlachte. Hij liet Harry naar voren komen en hield zijn hand op Harry’s schouder.
‘Dit is mijn zoon Harry, maar die ken je waarschijnlijk wel. Nietwaar?’ zei James.
‘En of ik die ken.’ Hij wendde zich naar Harry. ‘Ik kende je vader nog van Zweinstein. We waren met elkaar bevriend en eigenlijk nog steeds.’ zij hij.
Harry keek nog even goed naar de man. Hij had een jong gezicht en lichtbruin haar. Wel had hij, zag Harry een bruin versleten gewaad aan. Hij wendde zich tot zijn vader.
‘Wie is dat, pap?’ vroeg Harry.
‘Dat is een van mijn oude schoolvrienden en jaar- en afdelingsgenoten van mij. We sliepen in de zelfde slaapzaal. ’antwoordde James.
‘Dat klopt. En elke maand verdween ik, wist je nog?’ zei de man wrang. ‘Niet echt een prettige herinnering.’ zei hij toen Harry hem bezorgd aankeek. ‘O, ja. Ik ben trouwens Remus Lupos.’ En hij stak Harry een hand uit, die hij op zijn beurt weer schudde.
‘Aangenaam om kennis te maken.’ zei Harry.
‘Hoe komt het zo dat je in een zwerkbalwinkel bent gaan werken? Je hebt daar toch niks mee?’ vroeg James.
‘Ik speelde het niet, maat dat wil nog niet zeggen dat ik het niet geweldig vond om naar te kijken.’antwoordde Remus. ‘Ik keek er heel graag naar, zelfs. En zeker als jij speelde. Doe je er nog aan trouwens?’
‘Nee, niet echt. Niet sinds ik alleen met Harry ben. En toen we nog ondergedoken zaten.’zei James.
‘Je wil er zeker zijn voor Harry. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen.’zei Remus. ‘Kan ik je nog ergens van dienst zijn?’
Remus begon nu zakelijker te worden toen er een man binnen kwam. Waarschijnlijk was hij de eigenaar.
‘Wat sta je daar te kletsen, Lupos. Aan de slag.’ zei de man.
‘Direct, meneer.’zei Remus. En hij liep naar achteren.
James keek hem na en wendde zich naar de man die net binnen kwam.
‘Mijn excuses dat ik hem van zijn werk hield, maar hij is een oude bekende van me.’ zei James verontschuldigend.
De man keek James en Harry vol bewondering aan.
‘Maar, maar jullie zijn die twee van de familie Potter.’ stamelde hij. ‘Wat kan ik voor jullie betekenen?’
‘Nou, we keken eigenlijk alleen maar wat rond, maar als u er toch bent zou ik graag een nieuwe bezem willen kopen.’zei James.
‘Wat zal het zijn, een helleveeg 7:het nieuwste van het nieuwste. Of een wat ouder en vertrouwder model?’ vroeg de man.
‘Zilveren pijlen worden niet meer gemaakt heb ik begrepen.’ zei James enigszins teleurgesteld. ‘Wat jammer is, want daar heb ik in mijn schooltijd nog zwerkbal op gespeeld.’
‘Ik weet het, toen won de rode afdeling tenminste nog.’ zuchtte de man ‘Al is er laatst weer een veelbelovende speler langs geweest die in het team ging spelen. Eentje met rood haar.’
‘Ah, een Wemel.’ zei James. ‘Meneer Wemel werkt toch op het ministerie?’
‘Ik geloof het wel.’ zei de man.
De eigenaar riep Remus Lupos naar voren. En hij vroeg of hij James verder wilde helpen met het uitzoeken van een goede bezem. Na een paar bezems bekeken en op een plaatsje achter de winkel uitgeprobeerd te hebben viel de keus uiteindelijk toch op een helleveeg 7. James rekende af. En samen met Harry liep hij naar de ijssalon voor een ijsje. Harry nam een ijsje met rozensmaak die hij met smaak op at. Daarna gingen ze met de nieuwe bezem via de haard vanuit de lekke ketel weer terug naar huis.

Share this post


Link to post
Share on other sites
[size="3"]Hoofdstuk 2[/size]

De volgende ochtend moest Harry weer naar school. Gelukkig voor hem was het zijn laatste jaar. Hij zei zijn vader gedag en vertrok. Op school was het zelfde liedje als anders. Zijn neefje Dirk dat in zijn klas zat deed weer gemeen tegen Harry toen de leraar even niet keek. Dirk zat met zijn beste vriend Pieter Pulking te smoezen over hoe ze Harry het beste op stang konden jagen. Helaas voor hen merkte Harry dat. Hij was in de loop van de jaren meer op zijn hoede als het om zijn neefje en zijn irritante vriendje ging.
‘Wat zitten jullie twee nu weer te bekokstoven?’ vroeg Harry achterdochtig.
‘Gaat je niks aan, Harry Potter.’ antwoordde Dirk.
Precies op het moment dat Dirk Harry aanvloog was de leraar net weer met zijn rug naar het schoolbord toegekeerd. Hij keek in de richting van Harry en Dirk. Hij kwam naar hun tafeltje toe. Hij haalde de twee uit elkaar.
‘Wie van jullie is hiermee begonnen?’ vroeg de leraar streng.
‘Harry Potter begon, meester.’antwoordde Pieter Pulking die er mee ging bemoeien.
‘Meneer, dat is niet waar.’ sputterde Harry. ‘Ik vroeg alleen wat ze aan het smoezen waren en toen vloog Dirk mij aan.’
‘Jij begon dus hiermee, Harry Potter.’ concludeerde de leraar verkeerd.
Dirk grijnsde toen de leraar Harry straf wilde geven.’
‘Hier over ga ik je vader schrijven. En ik denk dat hij daar niet blij mee is als hij dat hoort.’ zei leraar.
Harry keek Pieter Pulking vuil aan. Hoe durfde hij Harry de schuld te geven van iets wat Dirk misdaan had? Daarna keek hij boos naar de leraar. Terwijl Harry naar de leraar keek gebeurde er iets vreemds. Tenminste, voor de klasgenoten, Harry was het inmiddels gewend dat er bovennatuurlijke dingen gebeurden als hij boos of bang was. Het haar van de leraar werd blauw. Harry’s klasgenoten schaterden het uit van het lachen ook Harry kon moeilijk zijn lachen inhouden en hij begon te grinniken. Dat was voor de leraar de druppel. Hij pakte Harry bij zijn arm en loodste hem de klas uit in de richting van de directeur.
‘Nu is de maat vol.’ zei hij woedend. ‘Mee naar de directeur.’
Harry volgde hem terwijl hij nog nagniffelde. Hij hield er pas mee op toen ze eenmaal bij de directeur aankwamen. De leraar loodste Harry de kamer binnen en zelf ging hij terug naar de klas. Daar stond hij dan bij de directeur. De directeur zat aan zijn bureau en keek Harry streng aan.
‘Wat heb je nu weer uitgespookt?’ vroeg hij.
‘Niks, meneer.’antwoordde Harry naar waarheid. ‘In ieder geval niks verkeerds.’ voegde hij er aan toe toen hij de directeur zag fronzen.
‘Jawel, ander stond je hier nu niet.’ zei de directeur.
‘Ik zweer het, meneer. Het overkwam mij gewoon.’ verdedigde Harry zich.
‘Hoe komt zijn haar dan blauw?’ vroeg de directeur.
‘Omdat ik boos was, meneer.’ antwoordde Harry ‘Dan gebeuren altijd dit soort dingen.’
‘Ja, dat zal dan wel. Je kan gaan.’zei de directeur
‘Dank u wel, meneer.’ zei Harry opgelucht.
‘Ik bedoel dan dat je naar huis kan gaan.’zei de directeur. ‘Wegwezen!’ schreeuwde hij
erachteraan.
Harry probeerde er nog tegen in te gaan, maar toen stond de directeur op. Harry keek hem nog een keer verontwaardigd aan en vertrok en sloeg de deur zo hard dicht dat de ruit trilde in zijn sponningen. Harry was ziedend en verdrietig te gelijk. Hij stierde richting de kapstok rukte zijn jas van het haakje en verliet het schoolgebouw. Pas toen hij buiten het hek van het schoolplein was, minderde hij vaart. En hij slenterde met lood in zijn schoenen naar huis.

Thuis aan gekomen stak hij zijn sleutel in het sleutelgat en opende de deur. I de huiskamer intussen zat James de ochtendprofeet te lezen. Hij keek op van de krant toen hij de voordeur hoorde dichtslaan. Hij legde de krant neer en liep naar de hal om te kijken wat er was. Hij was verbaasd toen hij Harry zag. Ook schrok hij van zijn gezicht dat op onweer stond.
‘Harry, waarom zit je niet op school?’ vroeg hij.
Harry zweeg. Hij kon niks zeggen. Als hij wat zou zeggen was hij bang dat ie in tranen zou uitbarsten. James zag dat en liep bezorgd naar Harry.
‘Er is iets aan de hand.’zei James. ‘Dat zie ik gewoon aan je.’
Harry slikte moeizaam en vertelde zuchtend wat er scheelde.
‘Pap, ik ben van school gestuurd.’ zei Harry en hield zijn handen voor zijn gezicht.
‘Dat meen je niet!’ zei James geschrokken. ‘Weet je wat, ik ga nu naar de school en vertel wat ik hier van denk. Zo’n goede leerling gaan ze toch niet wegsturen.’
James hield woord. Hij haastte zich naar de school en liep zonder een woord te zeggen naar het kantoortje van de directeur en deed de deur open. Hij liep naar binnen en liep naar het bureau van waar de directeur zat. Hij keek geschrokken op toen hij het gezicht van James zag en deinsde achteruit.
‘Wat, wat doet u hier, wat wilt u van me?’ vroeg de directeur timide.
‘Een verklaring.’ zei James kalm. ‘Ik hoorde net van mijn zoon dat u hem van school hebt gestuurd. Klopt dat?’
‘Ja, dat klopt.’ zei de directeur bruusk. Hij was wat van de schik bekomen. ‘en met rede’ voegde hij er aan toe.
‘En de rede was?’ vroeg James.
‘Hij heeft zijn leraar voor paal gezet.’antwoordde de directeur. ‘Zijn haar is blauw gekleurd.’
Op het gezicht van James verscheen een grijns van oor tot oor.
‘Dat meent u niet.’ proestte hij. ‘Werkelijk?’
De directeur keek James met een gezicht aan of hij hem wel kon vermoorden.
‘En dat vind u grappig?’ tierde hij.
‘Nou, ik denk dat hij het wel naar gemaakt zou hebben’ antwoordde James. ‘Het is de goden verzoeken om mijn zoontje boos of bang te maken.’ legde hij uit.
‘U vind dus dat zijn leraar uw zoon ten onrechte beschuldigd heeft van een vechtpartij?’ vroeg de directeur kokend van woede.
Harry? Vechten? Kom nu toch. Nee, ik denk eerder dat mijn neefje de vechtersbaas was en Harry aanvloog.’ zei James beslist. ‘Ik ga anders even mijn zijn leraar praten.’
James verliet het kantoortje en liep kalm naar het klaslokaal waar Harry altijd les had. Toen hij het lokaal binnen kwam was de les net afgelopen. De leraar zat alleen aan een tafel naast het schoolbord en zat letterlijk met zijn handen in het haar. James liep naar hem toe. Hij trommelde op de tafel en de leraar keek verschrikt op toen hij de verschijning van James zag.
‘Ja?’ vroeg hij.
‘Staat u goed.’ zei James.
‘Wat staat goed?’ vroeg de leraar achterdochtig.
‘Dat haar.’zei James serieus.
‘Ja, spot er maar mee. Ik heb iedereen naar huis gestuurd voor vandaag.’ zei de leraar met een snik in zijn stem.
En hij legde zijn hoofd in zijn armen en begon te huilen. James liep om de tafel heen en sloeg zijn armen om de schouders van de leraar.
‘Maar, meneer.’ zei James troostend ‘U hoeft toch niet te huilen?’
‘Iedereen lacht me uit. Ik stavoor schut tegenover al mijn leerlingen en collega’s.’ huilde hij. ‘En dat komt allemaal door die zoon van u.’
‘Kom, kom. Harry was boos en dan kan je verwachten dat er rare dingen gebeuren. Bovendien u kunt toch bij de kapper vragen of ze uw haar weer in uw eigen kleur willen verven?’ stelde James gerust. ‘En anders groeit het er wel weer uit.’
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg de leraar. ‘Wat is er dan met uw zoon dat mijn haar blauw wordt als hij boos is?’
‘Dat is voor u een vraag voor mij een weet.’ antwoordde James geheimzinnig. ‘Dat kan ik u helaas niet zeggen, maar ik val u verder niet lastig.’
James verliet het lokaal en liep weer terug naar de directeur.
‘Die leraar is behoorlijk van de kaart.’ zei James. ‘En mijn zoon trouwens ook.’
‘Ja, ik stuur hem wel naar huis. Ik geef hem vrij om bij te komen en haal wel een vervanger.’ zei de directeur. ‘Wat uw zoon betreft, die hoeft hier niet meer terug gekomen. Goede leerling of niet.’
‘Nou, dan zoek ik voor Harry wel een ander school tot hij klaar is met het basisonderwijs.’ zei James. ‘Goede dag verder.’
James verliet de school. Aan de ene kant vol medelijden met de leraar, maar aan de andere kant woedend op de directeur. Hij overwoog bijna een klacht in te dienen bij de onderwijs inspectie, maar hij liet het maar zo. en ging naar huis.

Intussen lag Harry in zijn kamer op bed met zijn kleren nog aan naar het plafond te staren. Tranen biggelde nog over zijn wangen en hij zuchtte diep. Hoe moet het nu verder met hem als hij de basisschool niet kon afmaken. Waarom stuurden ze nu hem van school en niet Dirk? Maar aan de andere kant was het beter zo. Hij was tenslotte van zijn ellendige neef af. Boos droogde hij zijn tranen en stond op. Hij verliet zijn kamer en ging naar beneden. Toen hij beneden was kwam zijn vader thuis.
‘En, pap?’ vroeg Harry. ‘Wat zei de directeur?’
‘Dat je niet meer terug hoeft te komen.’antwoordde James. ‘Trouwens je vroegere leraar was behoorlijk van de kaart.’
‘O ja? Waarom?’ vroeg Harry.
‘Hij werd uitgelachen. En niet alleen door je klasgenoten.’ antwoordde James.
‘Jammer dat ik niet terug mag komen. Anders had ik hem mijn excuses kunnen aanbieden. Dit was nooit mijn bedoeling geweest.’ zei Harry ‘Al kon ik ook niet laten om in lachen uit te barsten.’ voegde hij er aan toe.

Er waren een paar maanden verstreken. Het schooljaar was voorbij en de vakantie was begonnen. Harry en James zaten aan tafel te ontbijten, toen er een uil op de tafel landde. De uil had een gelige enveloppe in zijn snavel. Harry zag dat die aan hem geadresseerd was pakte hem uit de snavel van de uil, waarna hij krassend wegvloog. James keek op.
‘Maak hem eens open Harry?’ vroeg hij gretig. ‘Ik geloof dat ik hem herken van vroeger.’
Harry bekeek de enveloppe aandachtig. Op de zegel stond een wapen met een leeuw, das, adelaar en een slang rond een grote letter Z. Nieuwsgierig maakte hij hem open, zoals zijn vader vroeg. Hij haalde een dik pak zwaar perkament uit de enveloppe, die net zo geel was. De bovenste brief vouwde hem open en gaf de brief aan zijn vader.. James nam de brief aan en las hem voor. Hij glunderde terwijl hij dat deed. Hij las:
[i]‘Geachte heer H. Potter,

Met trots deel ik u mede dat u in aanmerking komt voor een plaats op Zweinstein Hogeschool voor hekserij en hocus pocus. Ook treft u een lijst met de benodigdheden daar buitent mag u als huisdier een uil, pad ,kat of rat meenemen. We maken de ouders er op attent dat eerste jaars geen bezem mee mogen brengen.

Graag per uil voor 31 juli te reageren. We hopen u op 1 september te kunnen verwelkomen.

Hoogachtend,
Minerva Anderling, plaatsvervangend schoolhoofd.’[/i]
James las de brief nog een keer door en gaf hem aan Harry die op zijn beurt de brief ook nog eens doornam. James keek Harry aan.
‘En wat denk je er van.’vroeg James.
‘Ik ga er heen, pap.’ antwoordde Harry.
‘Dat dacht ik wel.’zei James.
Hij stond op en liep naar achteren toe. In de tuin zat de uil die de brief gaf te wachten. Hij nam aan dat hij dar zat om met een reactie terug te gaan.. James haalde een stukje perkament en een veer met inkt en schreef op een briefje dat Harry op 1 september aanwezig zal zijn. Toen hij klaar was liep hij naar buiten en gaf de brief aan de uil, die direct wegvloog. En James ging weer naar binnen. Eindelijk was het zo ver zijn zoon ging na de zomer vakantie naar Zweinstein. Hij en Harry gingen de volgende dag naar de Wegisweg om de spullen voor school te kopen.

Share this post


Link to post
Share on other sites
[size="3"]Hoofdstuk 3[/size]

Op de Wegisweg gingen ze eerst nog even naar goudgrijp om het geld aan te vullen, zodat ze genoeg hadden voor al de spullen voor Zweinstein. Na twee keer een dolle rit te moeten doorstaan stonden ze uiteindelijk weer buiten de tovenaarsbank.
‘Wat denk je, Harry.’vroeg James. ‘Wat wil je eerst gaan kopen?’
‘Ik wil eerst de gewaden willen.’antwoordde Harry. Je moet ze toch op maat laten maken?’
‘Ja, dat is goed..Geef mij dan het lijstje, want dan ga ik naar klieder en vlek voor je boeken.’ stelde James voor.
Dat vond Harry prima. En zo scheidden hun wegen. Harry ging naar Madame Mallekin en James naar Klieder en Vlek. Harry liep de gewadenwinkel binnen. Hij was nog niet binnen gekomen of een klein vriendelijk kijkend heksje kwam op Harry af.
‘Je komt zeker voor schoolgewaden, lieverd?’ vroeg Mallekin vriendelijk.
‘Ja, dat klopt. Voor Zweinstein. Ik heb er drie nodig. Verder een wintermantel met zilveren speld.’ antwoordde Harry.
Madame Mallekin wees Harry een verhoging en zei dat hij daarop moest staan om het gewaad op maat te kunnen spelden. Ze ging even naar achteren, maar kwam al snel terug met een gewaad en gooide het over Harry’s hoofd. Het was veel te groot, maar dat was niet zo erg.
‘Doe je armen eens wijd, lieverd.’ zei mevrouw Mallekin.
Harry gehoorzaamde en mevrouw Mallekin begon de maat te nemen, waarna ze de zoom en de mouwen begon af te spelden. Toen ze daar mee klaar was zei ze dat Harry zijn armen weer langszij mocht doen. En dat deed Harry al te graag. Hij begon onderhand moe aan de armen te worden. Terwijl hij wachtte zag Harry dat er een blonde jongen met spits gezicht binnen kwam. Hij wachtte niet eerst op Mallekin, maar ging naast Harry staan.
‘Ga jij ook voor het eerst naar Zweinstein?’ vroeg de jongen met een lijzige en een lichte bekakte stem.
‘Ja, ik heb gisteren de brief gekregen.’ antwoordde Harry koeltjes.
Bij het horen en zien van de blonde jongen mocht hij hem al niet.
‘In welke afdeling hoop jij terecht te komen?’vroeg de jongen. ‘Ik hoop in Zwadderich.’
‘Nou, in ieder geval niet bij jou op de afdeling. Ik hoop op Griffoendor..’ antwoordde Harry
De jongen keek Harry vuil aan en Harry keek op de zelfde manier terug. Niet veel later kwam madame Mallekin met drie op maat gemaakte gewaden en een wintermantel. Harry zag het als een bevrijding. Eindelijk was hij van die kwal af.
‘Hier zijn de gewaden, liefje.’ zei Madame Mallekin en ze gaf Harry de gewaden.
Harry had van zijn vader het bedrag dat nodig was voor de gewaden en mantel gekregen, zodat hij ze kon afrekenen. Na het afrekenen liep hij de winkel uit naar Klieder en Vlek. Terwijl hij daar naar toe liep, zag hij een aantal tovenaars die jonger dan Harry waren voor een etalage staan. Hij liep er naar toe en hij zag in de etalage een bezem uitgestald staan. En hoorde toen ook wat er gezegd werd.
‘Oh, ‘ zei er een. ‘De nieuwste racebezemsteel.’
Harry bekeek de bezem wat aandachtiger en zag dat er op het uiteinde van de steel in gouden letters Nimbus 2000 stond. Ook lag er een kaartje naast met de naam erop.
‘Wauw, dat moet papa zien!’ zei Harry vol ontzag.
‘Wat moet ik zien?’vroeg een stem achter Harry.
Harry keek achterom en zag zijn vader staan.
‘De etalage van de zwerkbalwinkel, pap.’ antwoordde Harry.
‘Een prachtig dingetje.’ zei James. ‘Op het kaartje dat er bij ligt staat dat deze bezemsteel beter is dan de helleveeg 7.’ verzuchte hij.
‘Moet je hem dan niet kopen?’ vroeg Harry.
‘Dan moet ik eerst gevraagd worden door een zwerkbalploeg.’ antwoordde James. ‘Kom, dan gaan we naar Olivander voor je toverstaf.’

Na een hele reeks toverstokken uitgeprobeerd te hebben, had Harry dan eindelijk een toverstok die bij hem paste. Olivander was er zeer verbaasd over dat uitgerekend die stok Harry had uitgekozen. Hij vertelde hem dat de feniksveer in de kern van de stok van de zelfde feniks afkomstig was voor een andere staf die hij vijftig jaar eerder had verkocht aan een zekere Marten Vilijn. De moordennaar van de moeder van Harry .
‘De broer van jouw stok gaf jouw litteken en was en is van Hij Die Niet Genoemd Mag Worden.’ zei Olivander. ‘Ik kan dan ook grote dingen van je verwachten.’
‘Maar, ik ben geen duistere tovenaar, toch? En je - weet - wel heeft dat toch niet verricht?’ vroeg Harry bezorgd.
‘Ook Hij die Niet Genoemd mag worden heeft wel degelijk grootse dingen verricht. ’ antwoordde Olivander. ‘Gruwelijk dat wel, maar groots.’
‘Maar Harry heeft een broer van de stok die Voldemort heeft?’ vroeg James. ‘Nou dat zou hij als, wanneer het hem luk , hij terug keert nog een zware dobber hebben om Harry te verslaan in een duel.’
Meneer Olivander huiverde even toen James de naam noemde.
‘James Potter, noem die naam niet.’ zei Olivander verwijtend.
‘En waarom niet? Hij is toch weg?’ vroeg James. ‘En bovendien ik ben niet bang voor hem of laat staan zijn naam. Het is maar een naam, hoor.’ James wendde zich tot Harry. ‘Kom, we gaan’
James betaalde de toverstok en ze verlieten meneer Olivander. Ze gingen naar “Braakbals Uilenboutiek” voor een uil voor Harry. Ze liepen de winkel binnen en het oog viel op een sneeuwuil.
‘Oh, papa. Mag ik die?’ vroeg Harry naar de sneeuwuil wijzend.
‘Hij is wel mooi hé?’ zei James.
De winkelier kwam op James en Harry af.
‘Die sneeuwuil is geen hij, maar een zij en ze is inderdaad mooi ja.’ zei hij.
‘O, sorry dat wist ik niet hoor.’ verontschuldigde James zich. ‘Hoeveel kost zij?’
‘Klinkt gek, maar niemand wil haar hebben, dus omdat u het bent kost ze tien galjoenen.’ antwoordde hij.
‘Dat is niet te duur, ik we nemen haar.’ zei James terwijl hij naar zijn geldbuidel tastte.
James gaf de verkoper de tien galjoenen. De winkelier haalde de sneeuwuil, deed haar in een mooie goudkleurige kooi en gaf haar aan Harry die de uil gretig aanpakte.
‘Tot ziens, heren.’ zei de winkelier dankbaar.
‘Tot ziens.’ zeiden James en Harry vrijwel te gelijk.
Ze waren klaar op de Wegisweg en gingen met hun aankopen naar huis. Thuis aangekomen pakten ze de spullen uit. James had op zolder nog de hutkoffer staan die hij op Zweinstein gebruikte. Het enige wat moest gebeuren was het veranderen van de initialen. Dat was de moeite niet, want dat kon James met een handige spreuk zo regelen. Het enige probleem was dat hij het moest doen zonder dat de buren er iets van merkten. En dat was zeker in Klein Zanikem een hele dobber. Harry liep met zijn schoolboeken naar zijn kamer. Hij was erg nieuwsgierig naar de inhoud van sommige boeken. Zijn oog viel als eerste op het boek getiteld “De geschiedenis van de Toverkunst”. Hij nam het boek in zijn handen en begon te bladeren. Als snel kwam hij bij een lijst met namen van heksen door de eeuwen heen. De naam die voor hem uitsprong was Hedwig. Bovendien moest zijn sneeuwuil een naam hebben. En aangezien het een vrouwtje was sprak voor hem Hedwig wel aan. Enthousiast liep hij naar beneden.
‘Papa, ik heb een naam voor mijn uil gevonden.’ riep hij blij.
‘Ah, dat is mooi. En hoe wil je haar noemen?’ vroeg James.
‘Hedwig.’ antwoordde Harry.
Hij had de naam nog niet genoemd, of de uil die James even uit haar kooi had gelaten vloog naar Harry toe en ging op zijn schouder zitten en kraste goedkeurend. Dat was dus geregeld. Ze luisterde naar de naam Hedwig. Nu Harry alles had vond hij dat hij klaar voor Zweinstein.

Share this post


Link to post
Share on other sites
[font="Tahoma"]goed, het volgende hoofdstuk is nog niet helemaal af, maar toch post ik hem alvast. ik wijzig deze post als de rest van het hoofdstuk ook af is.[/font]

[size="3"]Hoofdstuk 4
[/size]
Eindelijk was het zover. Eindelijk was het 1 september en dus tijd om naar Zweinstein te gaan. Harry stond die dag vroeg op, want hij wilde op tijd op het Kings’ Cross station in Londen zijn. Bovendien kon Harry niet meer slapen van opwinding en dan kon je maar beter je bed uit. En dat deed Harry. Hij schoot zijn badjas aan en rende opgewonden de trap af. Beneden aangekomen zag hij dat James ook al op was.
‘Kon je niet meer slapen Harry?’ vroeg James met een glimlach.
‘Nee. Hoe laat gaan we?’ vroeg Harry ongeduldig.
‘Heb je de hutkoffer al ingepakt en alles?’ vroeg James kalm. Te kalm vond Harry.
‘Ja, gisteren voor ik ging slapen al.’ zei Harry.
De glimlach van James werd breder. Ergens had hij dat wel verwacht. Sterker nog, James had toen hij voor het eerst naar Zweinstein ging het zelfde. Ook hij kon niet wachten tot het zo ver was, dus zo vreemd was dat niet.
‘Zullen we eerst ontbijten, of wil je eerst je omkleden?’ vroeg James.
‘Laat ik eerst maar gewone kleren aantrekken.’ antwoordde Harry.
Harry ging naar boven en ven later kwam hij terug. Hij had zijn pyjama en badjas verruild voor een spijkerbroek, T-shirt en gympen. James had intussen het ontbijt opgediend. Hij had een kopje koffie en voor Harry thee. Na het ontbijt ging op zijn beurt James naar boven op dreuzelkleding aan te schieten, waarna hij de hutkoffer van Harry pakte en naar beneden zeulde. Benden aangekomen belde hij een taxi die ze naar Londen zou brengen voor de deur van het Kings Cross.
‘Heb jij je treinkaartje bij je?’ vroeg James, nadat hij de taxi gebeld had.
‘Ja, die heb ik in de zak van mijn jack gedaan.’ antwoordde Harry.
Niet veel later ging de bel. James liep naar de deur en deed open.
‘Een taxi voor Magnolialaan 14?’ vroeg de taxichauffeur.
‘Ja, dat klopt.’ antwoordde James. ‘Kom, Harry de taxi is er.’
Harry pakte de kooi met Hedwig en liep naar de gang. James pakte de hutkoffer en ze volgden samen de taxichauffeur naar de auto.
‘Moet dat allemaal mee?’ vroeg de taxichauffeur fronsend. ‘Die hutkoffer kan wel in de bagagebak, maar die kooi past er echt niet in hoor.’
‘Geeft niet,’ zei Harry. ‘Ik neem haar wel op de achterbank.’
‘Als die vogel zijn snavel maar houdt vind ik het best.’ zei de taxichauffeur.
Mokkend hield hij nadat de hutkoffer in de kofferruimte zat de deur open voor James en Harry en liep naar zijn bestuurdersstoel en reed naar Londen.

Na een hele rit waren ze dan uit eindelijk. De chauffeur bleef voorin zitten terwijl James de hutkoffer zelf uit de kofferbak moest zien te krijgen. Gelukkig voor hem was er een roodharige jongen zo vriendelijk hem daarmee te helpen.
‘Vreselijk zijn die dreuzelchauffeurs hé?’ zei de jongen.
‘Wel helpen als je de taxi in gaat, maar het zelf laten uitzoeken als je eenmaal op bestemming bent aanbeland.’ voegde een andere roodharige jongen er aan toe die net aankwam lopen.
De twee jongens leken als twee druppels water op elkaar zag Harry. Waarschijnlijk waren het tweelingen, want er kwam nog een andere roodharige jongen die duidelijk ouder was dan de twee. De derde jongen had keurig gekamd haar dat in een scheiding aan de rechter kant zat en een bril. Ook had hij lang niet zo veel sproeten. Op zijn trui had hij een badge opgespeld met het woord klassenoudste. Gezamenlijk liepen ze het station binnen. Op het station waren er nog een jongen met rood haar die de leeftijd had van Harry, een meisje dat minstens een jaar jonger was en nog twee volwassenen. Alle vier met rood haar zoals de drie jongens waarmee Harry en James het station binnen gingen. James herkende de man.
‘Ah, Arthur.’ riep hij. ‘Nog steeds op het ministerie?’
De roodharige man die James Arthur noemde liep naar James toe. Harry zag dat hij duidelijk verbaasd was zijn vader te zien.
‘James Potter?’ vroeg hij onzeker. ‘Ben jij dat echt? Wat een aangename verrassing je in leven te zien.’
‘Zoals je ziet.’ antwoordde James. Hij wees naar zijn zoon.’En dit is mijn zoon Harry.’
‘Wie kent hem nu niet in onze wereld.’ zei Arthur. ‘Wat een eer om je eindelijk te mogen ontmoeten.’ Hij stak een hand uit naar Harry.
Harry liep naar hem toe en nam de hand van Arthur aan en schudde die.
‘Ik ben Arthur Wemel.’ stelde Arthur zich voor. ‘Zullen we gezellig met zijn negenen naar perron tien gaan?’ vroeg hij aan James en zijn vrouw.
Mevrouw Wemel vond het prima en de kinderen Wemel ook. James had terwijl Harry nog wat kletste met meneer Wemel een bagagekarretje gehaald om de hutkoffer en de kooi met Hedwig, waar een aantal dreuzels met verwondering naar keken, op te kunnen zetten. Zodat ze niet zo hoefden te zeulen.
‘Zet je hutkoffer maar op het karretje.’ zei James toen hij terug kwam.
Harry zette met hulp van de wemeltweeling de hutkoffer op het karretje en daar bovenop de kooi met Hedwig. Waarna ze met zijn alle richting perron tien gingen. Ze kwamen bij het perron. tussen perron tien en negen stond er een bakstenen zuil.
‘Waar is het perron dat op mijn treinkaartje staat?’ vroeg Harry aan zijn vader.
‘Je moet recht op die pilaar aflopen.’ antwoordde James. ‘Dan kom je vanzelf op het perron.’
‘Laat onze kinderen maar eerst gaan, meneer Potter.’ zei mevrouw Wemel.
Dat liet een van de wemeltweeling niet twee maal zeggen. Hij draaide zijn karretje richting de pilaar en rende er op af. Na een paar seconde was hij uit het zicht verdwenen. Daarna ging de tweede van de wemeltweeling tot dat alle jonge Wemels op perron 9 ¾ waren aangekomen.
‘Nu jij, Harry schat.’ zei mevrouw Wemel vriendelijk.
Harry keek onzeker naar zijn vader.
‘Toe maar, Harry. Ik kom direct achter je aan.’ zei James.
Harry knikte keerde zijn karretje richting de pilaar tussen perron negen en tien, kneep zijn ogen dicht in rende recht op de pilaar af met een steeds hogere vaart en angst dat hij er tegen aan zal knallen. Voor hij het wist was hij al op het perron. Hij deed zijn ogen open en zijn mond viel open van bewondering. Het perron was afgeladen met tovenaars en heksen, zowel jong als oud. Het horen en zien verging hem zowat door krassen van uilen, piepen van ratten en miauwen van katten. Harry keek om zich heen en hij zag de roodharige jongens, die hij direct herkende als de Wemels. Blij dat hij bekenden zag liep hij naar ze toe. Niet veel later kwamen Meneer en mevrouw Wemel en zijn eigen vader.
‘Kom Harry. Ga maar alvast de trein in, anders zijn de beste plaatsen bezet.’ zei James wijzend naar de trein.
Harry knikte en liep naar de Wemel van zijn leeftijd.
‘Kom, zullen we samen een plekje nemen?’ vroeg Harry. ‘Ik ben trouwens Harry. En jij?’
‘Dat is goed.’ antwoordde de Wemel. ‘Ik ben trouwens Ron Wemel, maar dat weet je waarschijnlijk al?’
‘Eh, dat je Ron heet niet nee.’ zei Harry. ‘Maar dat je een Wemel bent, lijkt me nogal duidelijk, gezien je rode haar.’
‘Er zijn wel meer mensen met rood haar, hoor.’ zei Ron. ‘Al zie je die niet veel onder tovenaars. Bij dreuzels zijn dacht ik meer roodharigen.’
Terwijl Ron en Harry hun gesprek voortzetten liepen ze naar een van de voorste wagons en stapten in. James en meneer Wemel volgden de twee met de hutkoffers en in James’ geval de kooi met Hedwig. Harry hielp zijn vader met het naar binnen tillen van de hutkoffer en nam de kooi met Hedwig aan Ron. Ron bracht de kooi naar de coupé die ze uitgezocht hadden en hielp daarna meneer Wemel met zijn koffer. Toen ze alles in de trein hadden gekregen sleepten Harry en Ron hun koffers naar hun plaatsen. Harry wilde zijn hutkoffer in het bagagerek tillen, maar hij was te zwaar.
‘Zal ik even helpen?’ vroeg Ron. ‘Misschien lukt het met zijn tweeën beter.’
Maar ook met zijn tweeën wilde het niet lukken.
‘Laat maar, Ron.’zei Harry. ‘Het lukt toch niet, of we zouden je broers erbij moeten halen.’
Ze kwamen als geroepen. De tweelingbroers kwamen er net aan toen Harry en Ron besloten de hutkoffers maar op de grond te laten staan.
‘Hulp nodig?’ vroeg de tweeling.
‘Willen jullie ons helpen?’ vroeg Harry hoopvol.
‘Onze beroemdheid zeker.’antwoordde een van de broers.
‘Maar onze Ronnie ponnie natuurlijk ook.’ antwoordde de andere.
‘Noem me geen Ronnie Ponnie!’ zei Ron boos.
De broers negeerde hun broertje en tilden met gemak of ze zo licht als een weertje waren de hutkoffers in het rek.
‘De kooi ook?’ vroeg een van de tweelingbroers.
‘Nee, die hoeft niet.’antwoordde Harry ‘Ik zet Hedwig wel op het tafeltje bij het raam.’
‘O, wacht.’ zei een van de andere tweelingbroers. ‘We hebben ons helemaal nog niet aan je voorgesteld. Wij zijn Fred en George.’
‘Ja, ik ben Fred.’ zei Fred.
‘En ik ben George.’ zei George. ‘Al worden we niet kwaad als je ons verwisseld.’voegde hij er aan toe.
‘Wij gaan trouwens naar onze vriend Leo als jullie het niet erg vinden.’ zei Fred.
Aan Rons gezicht te zien, vond hij het inderdaad niet erg als Fred en George ergens anders gingen zitten. Harry stemde ermee in. De tweeling zei hun gedag en vertrokken.
‘Eindelijk alleen.’ zei Ron. ‘Dat haat ik hé? Ze noemen mij altijd zo. Ik ga straks mijn beklag doen bij Percy.’
‘Wie is Percy?’ vroeg Harry.
‘Percy is de broer met het klassenoudstenbadge.’ antwoordde Ron.
Terwijl hij dat zei kwam de broer waarover hij had net langs. Ron stond op en deed de deur open en riep hem. De jongen die Percy heette hield halt en liep terug naar de plaats waas Harry en Ron zaten.
‘Waarom moet je perse door de trein roepen?’ vroeg Percy geïrriteerd.
‘Sorry, maar ik wilde Harry aan je voorstellen.’ antwoordde Ron.
‘Harry? Bedoel je Harry Potter?’ vroeg Percy bij wie de irritatie als sneeuw voor de zon verdween.
‘Ja, wie anders?’ zei Ron grijnzend.
Harry wist even niet waar hij kijken moest. Hij begon te blozen. Daarna wendde hij zich naar Percy en keek hem met een grijns aan. Harry stond daarna op en stak zijn hand uit naar Percy.
‘Aangenaam.’ zei Harry. ‘En ik ben inderdaad Harry Potter.’
‘Je lijkt erg op je vader.’ zei Percy. ‘Om te zien dan hé?’voegde hij eraan toe.
‘Dat begrijp ik. Je kan moei;lijk weten of ik van karakter op hem lijk.’zei Harry.
‘Ik moet weer gaan, Ron. Ik moet bij de klassenoudsten gaan zitten.’ zei Percy. ‘En gedrag je onderweg. Ik heb Fred en George ook al terecht moeten wijzen. Prettige reis, Harry.’
De trein floot en zette zich in beweging. Nu waren ze eindelijk echt op weg naar Zweinstein.

Ze waren de bewoonde wereld uit. Harry en Ron zaten gezellig te kletsen tot ze onderbroken werden door een meisje met een bos krullend bruin haar en grote voortanden. Ze had haar gewaad al aan.
‘Ik zou als ik jullie was ook maar je gewaad aantrekken.’ zei ze bazig. ‘O ja, ik ben trouwens Hermelien Griffel. En Julie?’
‘Ik ben Harry Potter’ zei Harry. ‘En de jongen tegen over mij is Ron Wemel.’
‘Oh, ben jij DE Harry Potter? De jongen die bleef leven?’ vroeg Hermelien verrukt.
‘Ja, maar zijn vader leeft ook nog hoor.’ zei Ron
‘Vroeg ik je wat, Ron?’zei Hermelien.
‘Eh, nee.’ zei Ron.
‘Dan moet je geen antwoord geven.’ zei Hermelien bazig. ‘Ik moet gaan ene Marcel Lubbermans is zijn pad kwijt.’ En ze vertrok.
‘Gelukkig die zijn kwijt.’ zei Ron opgelucht.
‘Dat wel, maar we zijn voorlopig nog niet alleen.’ zei Harry.
En inderdaad, er kwamen drie jongens. Waarvan eentje die Harry al eerdere had ontmoet bij madame Mallekin. Twee er van had hij nog nooit eerder gezien. Ze kwamen bij de coupé waar Harry en Ron zaten. Ook zij waren al in gewaad.
‘Ik weet wie je bent.’ zei de blonde jongen tegen Harry. ‘Jij bent de beruchte Harry Potter.’
‘Berucht? Beroemd bedoel je.’ zei Ron Harry verdedigend.
‘Bemoei je er niet, Wemel.’ zei de blonde jongen. ‘Ik zal maar op je tellen passen. Ik ben niemand minder dan Draco Malfidus.’ voegde hij er aan toe.
Ron proestte het uit, maar merkte dat Draco daar niet van gediend was en camoufleerde het tot een kuchje.
‘Ik heb jou laatst nog ontmoet op de Wegisweg bij madame Mallekin.’ zei Harry tegen Draco om van onderwerp te veranderen.
‘Ja, nu je het zegt.’ zei Draco. ‘Ik zal je een advies geven over met wie je allemaal om moet gaan.’
‘Ik hoef je advies niet, maar bedankt voor je aanbod.’ zei Harry stug.
‘Je moet altijd uitkijken met wie je bevriend raakt. Sommige zijn het niet waard om vrienden mee te worden.’ zei Draco terwijl hij naar Ron Wemel keek.
Hij stak een hand naar Harry uit die hij niet aannam.
‘Ik kies liever mijn eigen vrienden. En ik kies liever niet jou.’ zei Harry. ‘Ik jouw slag mensen.’
Draco wenkte zijn twee maatjes en vertrok zonder verder een woord te zeggen. Toe Draco en zijn kornuiten weg waren gingen Harry en Ron hun gewaden aantrekken. Ze hadden zich nog niet omgekleed of de trein minderde vaart.

Harry en Ron stapten uit op een klein stationnetje. Het was droog buiten In de verte riep een zware stem ‘Eerste jaars hierheen.’ Ze liepen in de richting waar het stemgeluid vandaan kwam. Harry kon zijn ogen niet geloven. De eigenaar van de stem was gigantisch. Hij had een woeste zwarte baard en halflange zwarte bos krullen. De man zag er zeer woest uit. Maar als je goed keek zag je dat hij twinkelende kraaloogjes had, waardoor hij een stuk vriendelijker was dan je op eerste gezicht zou denken.
‘Hai, Harry.’ zei de reus.
‘U kent mijn naam?’ vroeg Harry verbaasd.
‘Tuurlijk ken ik je naam. Iedereen toch? Of niet soms.’ antwoordde de reus ‘Ik ben trouwens Rubeus Hagrid. Ik dacht dat je nog zou kennen van toen je nog een hummeltje was.’
‘Kan ik me niet meer herinneren, maar ik was waarschijnlijk nog in shock door de dood van mijn moeder.’ zei Harry.
Tijdens het gesprek kwamen ze bij een groot meer aan.
‘Iedereen verdeeld zich in een bootje. Maar, niet meer dan vier personen per boot.’
De leerlingen gingen allemaal per vier in een bootje. Harry en Ron zaten bij elkaar met het bemoeialherige meisje dat Hermelien heette en die ene Marcel Lubbermans. De bootjes voeren van zelf. Niet veel later zagen ze een reusachtig kasteel opdoemen. Veer kinderen riepen oh, en ah. Ook Harry keek zijn ogen uit. Toen ze aan het uitzicht gewend waren legden ze al weer aan. Harry, Ron, Hermelien en Marcel stapten een voor een uit en volgen Hagrid en de andere leerlingen. Ze liepen een prachtig bordes op en door twee hele hoge deuren, ze waren zo hoog dat zelfs Hagrid niet hoefde te bukken. Ze kwamen in een grote hal met een prachtige marmeren trap. Onder aan de trap stond een streng uitziende heks.
‘Ga maar al vast, naar de grote zaal, Hagrid. Ik neem het verder van je over.’ zei de heks.
Hagrid knikte en ging door een deur waar de grote zaal moest zijn.
‘Welkom op Zweinstein. Ik ben Minerva Anderling en ik zal jullie straks naar de grote zaal brengen voor de sorteerceremonie.’ zei Anderling.
Harry keek Ron bezorgd aan. ‘Een sorteerceremonie? Wat moet ik me daarbij voorstellen.’ fluisterde hij.
Een paar minuten later bracht Minerva Anderling de leerlingen de grote zaal binnen. Het was er prachtig. Alleen Harry was zo zenuwachtig dat hij het niet in de gaten had. Harry keek om zijn zenuwen wat te temperen omhoog. Zijn mond viel open van verbazing. In plaats van het plafond zag hij een prachtige sterrenhemel. Achter hem hoorde hij Hermelien zeggen dat ze in het boek “een beknopte beschrijving van Zweinstein” had gelezen dat het plafond behekst was.

[font="Tahoma"]ik heb besloten dat ik verder ga met hoofdstuk 5.[/font]

Share this post


Link to post
Share on other sites
Ik ga het kort houden:
Ik vind het een leuk idee, Harry met vader en je werkt het ook mooi uit. Het leest gemakkelijk, dus je schrijft ook goed.
Wat kan ik nog zeggen? Ga zo verder?!

Share this post


Link to post
Share on other sites
Zodra ik weer inspiratie heb ga ik weer verder. Helaas heb ik op het moment een writersblock. Waar ik best van baal, maar ik heb zo veel dingen aan mijn hoofd gehad. Zo dra het weer wat rustiger is wat(positieve) emoties betreft schrijf ik weer verder

Share this post


Link to post
Share on other sites
[font="Tahoma"]Na een hele tijd, hier weer een hoofdstuk.[/font]

[size="3"]Hoofdstuk 5[/size]


Na dat andere leerlingen voor hem gesorteerd waren, waaronder Hermelien en Marcel, beiden Griffoendor, en Malfidus en zijn twee maatjes alle drie Zwadderich, was Harry aan de beurt. Nadat zijn naam werd geroepen liep hij met loodzware schoenen naar het krukje en ging zitten. Minerva Anderling zette de sorteerhoed op het hoofd van Harry die gelijk over zijn oren zakte.
‘Hm, moeilijk. Waar zal ik je indelen?’ zei de sorteerhoed. ‘Je zal het erg goed doen bij Zwadderich. Maar ik zie ook veel moed.’
‘Niet Zwadderich, niet Zwadderich.’ Mompelde Harry smekend.
‘Geen Zwadderich hè? Toch zou je daar grootse dingen kunnen verrichten, maar als je echt zeker weet dat je niet in Zwadderich wilt, houdt ik het maar op… GRIFFOENDOR!’
Opgelucht trok Harry de hoed van zijn hoofd gooide het terug op het krukje en snelde naar de tafel van Griffoendor. De hele tafel juichte toen hij daar aankwam.
‘Wij hebben Harry Potter!’ riep de Wemeltweeling.
Ook Percy klapte toen Harry naar de tafel liep. Harry ging naast Percy zitten. Niet veel later kwam ook Ron naar de tafel van Griffoendor en ging naast Harry zitten.
‘Welkom bij Griffoendor, broertje.’ Zei Fred.
Nadat iedereen was gesorteerd vertrok Anderling uit de grote zaal met het krukje en de hoed. Waarna ze even later plaats nam aan de oppertafel. Harry keek naar de oppertafel en daar zag hij een man met vettig zwart haar en tanige huid. Toen de man in de richting van Harry keek herkende Harry hem.
‘Ik ken hem.’zei Harry. ‘Ik heb hem op de Wegisweg ontmoet.’
‘Wanneer dan?’vroeg Ron.
‘Toen ik samen met mijn vader spullen voor school ging kopen.’ Antwoordde Harry.
Harry merkte dat ook hij hem herkende en dat er een frons om zijn wenkbrauwen kwam. Vlug keek Harry richting een lange man met een grijze lange baard en net zo’n lang haar en blauwe ogen achter een half rond brilletje waar een twinkeling in zat.
‘Is dat Perkamentus?’ Vroeg Harry.
‘Ja, dat is hem inderdaad. Ik herken hem van de chocokikkerkaartjes.’ Zei Ron. Spaar jij ze, Harry?’
‘Natuurlijk wat dacht je? Alleen heb ik Perkamentus nog niet. Wel heb ik er al tien van Merlijn.’ Antwoordde Harry.
‘Wat? Heb je Perkamentus nog niet? Daar heb ik er wel twintig van. En Merlijn heb ik nog niet.’ Zei Ron.
‘Zullen we als we in onze leerlingenkamer zijn die chocokikkerkaartjes uitwisselen dan?’ vroeg Harry. ‘dan krijg jij een van Merlijn en ik een van Perkamentus.’
‘Goed, deal.’ Zei Ron.
‘Sst,’ zei Percy. ‘Perkamentus wil iets zeggen.’
Harry en Ron keken naar de oppertafel en zag dat professor Perkamentus was opgestaan.
‘Welkom terug op Zweinstein en voor de eerste jaars onder jullie welkom. Eet smakelijk.’ Zei Perkamentus en ging weer zitten.
Perkamentus zat nog niet of de schalen vulden zich met de meest uitgelezen spijzen dat Harry ooit had gezien. Hij keek zijn ogen uit. Nadat hij was bekomen van de verbazing schepte hij zo veel op als hij kon eten. Ron deed het zelfde. Terwijl Harry zijn eten met smaak, maar ook met kleine beetjes at, schrokte Ron alsof hij maanden niet gegeten had alles in een keer naar binnen.
‘Ha, wat was dat lekker.’ Zei Ron nadat hij zijn bestek neerlegde. ‘smaakt het je niet?’
‘Wel hoor, alleen was ik niet zo uitgehongerd als jij. En schrok ik niet alles ineen keer naar binnen.’ Zei Harry.
Percy keek verwijtend naar Ron toen hij zag dat hij zijn bord al helemaal leeg had.
‘Maar goed dat ma je niet zo zag eten.’ Zei hij. ‘Harry geeft je tenminste het goede voorbeeld.’
‘Waar bemoei jij je mee?’ zei Ron. ‘Ik had gewoon honger.’
Harry deed net of hij het gesprek niet hoorde en at rustig verder. Toen iedereen zijn borden leeg hadden gegeten werden de hoofdgerechten vervangen door de toetjes. Ron schepte weer een hele lading op en Harry nam alleen wat van het ijs. Na het eten verdween alles weer van de schalen en borden en Perkamentus stond weer op om een toespraak te houden.
‘Ik hoop dat het eten gesmaakt heeft. Ik moet de eerste jaars op het hart drukken dat het bos verboden terrein is en dat Zweinsveld alleen toegankelijk is vanaf het derde jaar. Ook hebben we dit jaar weer zwerkbalwedstrijden en in oktober zijn de try-outs. Ook zijn er dit jaar weer een aantal dingen verboden. Bij Vilder kun je een lijst vinden van de verboden spullen. Dit jaar is de derde verdieping verboden terrein en ik raadt men ook aan om die verdieping te mijden. Verder wens ik jullie een goede nachtrust.’ Vertelde Perkamentus.

Harry en Ron volgden Percy naar de zevende verdieping waar de leerlingenkamer van Griffoendor zich bevond. Daar aangekomen zag Harry dat er voor de ingang een schilderij hing van een dikke dame in een knalroze jurk.
‘Wachtwoord?’ vroeg ze.
‘Het wachtwoord is moed.’ Antwoordde Percy.
Het wachtwoord bleek goed te zijn, want het schilderij zwaaide open. Percy klom door het portretgat en de eerste jaars volgden zijn voorbeeld. Harry zag dat in de leerlingenkamer allemaal rode fauteuils stonden en een heerlijk haardvuur brandde. Hij voelde zich meteen thuis. Hij wendde zich naar Ron.
‘Zullen we die kaartjes ruilen?’ vroeg Harry.
‘Wat voor een plaatjes?’ vroeg Hermelien die bij Harry en Ron was gaan staan nieuwsgierig.
‘Chocokikkerplaatjes.’ Antwoordde Harry.
‘Wat zijn dat?’ vroeg ze.
‘Dat zijn kaartjes die je kan sparen. En die krijg je bij chocokikkers. Ken je dat niet?’ vroeg Harry.
‘En wat zij chocokikkers?’ vroeg Hermelien weer.
Harry haalde een doosje uit de zak van zijn gewaad en gaf het aan Hermelien.
‘Hier, maak maar open. Jij kan ze nu ook gaan sparen als je wilt.’ Zei Harry. ‘O ja, Als je het open maakt moet je oppassen dat ie niet wegspringt.’
‘Zijn het echte kikkers?!’ vroeg Hermelien vol afschuw.
‘Nee, het is chocolade in de vorm van kikkers. Ze zijn alleen zo behekst dat ze weg kunnen springen. Wel maar een keer, trouwens.’ Zei Ron met een grijns.
‘O, gelukkig maar. ’zei Hermelien.
Hermelien maakte het doosje voorzichtig open en voor dat de kikker weg kon springen beet ze de kop eraf.
‘Mm. Lekkere chocola. ’zei ze nadat ze de hap had doorgeslikt.
Ze haalde uit het doosje een kaartje.
‘He, ik heb een kaartje van jou, Harry.’ Zei Hermelien.
‘Wat? Laat zien.’ Zei Harry.
Hermelien gaf het kaartje aan Harry. Hij keek op de achterkant en zag dat het kaartje een speciale collectors item was en er een beperkt aantal van te krijgen was. Verder stond er op dat hij een ene Voldemort had verslagen als baby. En als enige een aanslag van hem had overleefd.
‘Zeg, wordt het niet eens tijd dat jullie naar bed gaan?’ verweet Percy Harry, Ron en Hermelien.
‘Ja, we gaan al.’ Zei Ron.
Harry en Ron liepen richting de jongensslaapzalen en Hermelien naar die voor de meisjes, nadat ze het kaartje terug had gekregen.

Share this post


Link to post
Share on other sites
Goed verhaal. Ik zie James nog niet zo direct als alleenstaande vader, maar best wel neig. Volg je voor de rest het plot, dus met Krinkel etc.?

Share this post


Link to post
Share on other sites

Join the conversation

You can post now and register later. If you have an account, sign in now to post with your account.

Guest
Reply to this topic...

×   Pasted as rich text.   Paste as plain text instead

  Only 75 emoji are allowed.

×   Your link has been automatically embedded.   Display as a link instead

×   Your previous content has been restored.   Clear editor

×   You cannot paste images directly. Upload or insert images from URL.

Loading...
Sign in to follow this  

×
×
  • Create New...