![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]()
|
| Help Zoeken Studenten Kalender |
| Welkom gast ( Inloggen | Registreer ) | Validatie e-mail opnieuw verzenden |
![]() ![]() ![]() |
| Lazarus |
Gepost op: Sat 20 February 2010, 14:13
|
|
Up my broom stick and go go GOHYEAH Groep: Leraren Berichten: 3.048 Leerling nr.: 1.223 Leerling geworden op: 26 July 2006 Jouw gevoel op dit moment: indescribable Behaalde afdelingspunten: +20 voor Abalebam! |
Damian ijsbeerde door zijn kamer. Hij ijsbeerde. Laten we dat woord nu eens even analyseren. Het was dan wel koud, maar ijs lag er niet. En hoewel Damian wel de toverkracht had zich in een beer te veranderen, was hij verre van een beer. Sterker nog. Hij mocht al blij zijn als hij met zijn spierkracht zijn kasten kon verplaatsen. (Uiteraard nadat hij er de tientalle boeken zou hebben uitgehaald, iets wat hij dus niet deed, gezien hij simpelweg met een spreuk de kast kon verplaatsen, zonder het risico te lopen om zijn boeken te beschadigen en zijn rug te verrekken.) In dit geval duidde het ‘ijsberen’ echter op het al piekerend heen en weer lopen. Het had dus niets te maken met ijs of beren, en nog minder met grote behaarde mannen die in het midden van de winter de Noordzee in doken. Maar nu zou je jezelf de vraag kunnen stellen waarover Damian dan wel niet piekerde. Een vraag die Damian niet zou durven beantwoorden. Want Damian was bang. Doodsbang. Sterker nog, hij was nog nooit in zijn leven zo bang geweest als nu, die keer buiten beschouwing gelaten dat hij zich 3 dagen had verscholen onder drakeneieren, bang om opgegeten te worden door de moederdraak vanaf het moment dat die lucht van hem zou hebben gekregen. En behalve zijn angst had het daar ook nog eens gestonken! In geen enkel boek over draken dat Damian al gelezen had stond dat drakennesten zó verschrikkelijk hard stonken!
Maar de angst waar hij nu mee te kampen had was meer permanent. Blijvend. Slechts toenemend, nooit afnemend. En sinds Kerst leek hij alleen maar verdubbeld. Iedereen had immers meegemaakt wat er met kerst was gebeurd. Maar er waren maar twee mensen die zich werkelijk konden herinneren wat er allemaal was voorgevallen. Natuurlijk, het was een grote tragedie, iedereen wist dat in de chaos een meisje dood was gebleven. Maar als ze hun hoofden zouden pijnigen, als ze hun uiterste best zouden doen om te kunnen vertellen hoe het meisje was gestorven, zouden ze zich dat dan voor de geest kunnen halen? Nee. In het beste geval zouden ze zich nog een vage schim kunnen voorstellen, die een aanval deed op de onverhoedse ravenklauwer. Damian was de enige die wist wie die schim was. Ondanks het feit dat de betovering hem op dat moment nogal krankzinnig had gemaakt, kon Damian dat moment nog perfect voor de geest halen. Mort, die op de tafel was gesprongen, zoekend naar een prooi. En nog geen nanoseconde later was Mort weer van die tafel afgesprongen, en had hij zich tegoed gedaan aan het bloed van een leerlinge van zweinsteins hogeschool voor hocus pocus. Een schoolhoofd die een leerlinge had vermoord. Zoiets mocht gewoon niet. Het was gewoon het teken dat er iets mis was met deze wereld. Want als kinderen op school niet meer veilig waren, waar dan wel? Damian stopte met ijsberen, en ging aan zijn bureau zitten, zijn hoofd in zijn handen, het ultieme teken van wanhoop. Een traan ontsnapte aan zijn ogen, gleed langs zijn wangen, viel op zijn bureau. Het was allemaal zijn schuld. Hij was de enige die had geweten dat Mort een vampier was. Hij was de enige die het had kunnen voorkomen. Maar hij was laf. &nsbp; &nsbp; Angstig en laf, en dat was nu de reden dat een gezin nu een kind moest missen, dat andere leerlingen met het besef moesten leven dat ze hun vriendin nooit meer terug zouden zien. Het was zijn schuld dat Ashley Hoffman op die tragische avond op de grond had gelegen, niet eens in staat om dood te bloeden, gezien al dat bloed door een monster, een speling van de natuur, een belediging van God, werd opgedronken. Nog een traan liep langs zijn wang. Hij was laf. En dat wist hij. Maar vandaag ging hij iets doen dat voor hem uitzonderlijk dapper was. Damian ademde diep in, en slaagde erin zijn tranen van zijn wangen te vegen. Geen tijd voor tranen. Hij zou later maar met het schuldbesef moeten leren leven. Hij zou later maar moeten beseffen dat hij voor de rest van zijn leven die naam zou onthouden. Hij had een fout begaan, een verschrikkelijke fout met immense gevolgen, en het was ook aan hem, en niemand anders, om die fout recht te zetten. Met knikkende knieën zocht hij heel zijn kamer en heel zijn kantoortje naar zilver. Zijn knieën knikten toen hij er vond –amper genoeg- , en ook alle knoflook die hij had stak hij in zijn zakken. Voor de zekerheid at hij zelfs een teentje op. Bah. Damian ademde diep in, en stapte de gang op. Het was donker. De nacht. Het moment van de vampier. Damian probeerde vooruit te gaan, maar hij was zo bang. Elke schaduw leek wel op de dreigende gestalte van Mort Fairchild, het beest van deze school. Er kon geen twijfel over bestaan dat alle verschrikkelijke gebeurtenissen zijn schuld waren. En er kon ook geen twijfel over bestaan dat Mort alleen Damians geheugen niet gewist had om hem nog wat extra te tergen. Mort wist toch dat Damian zijn geheim wist. En Mort wist ook dat Damian zelfs niet durfde te denken aan dat geheim te verraden. Damian ademde diep in, en vertrok naar de kerkers, het hol van het beest. Alle voorstellingen die hij over dit moment had gehad leken als sneeuw voor de zon te verdwijnen toen hij uiteindelijk voor het kantoortje van de vampier stond. In zijn verbeelding had hij de deur ingestampt, zijn toverstaf gericht op het Monster, en had hij ‘Uw laatste uur is geslagen, vuil beest!’ geroepen, voor hij Mort met een toverspreuk had overmeesterd. In werkelijkheid zou hij er niet eens in slagen de deur in te trappen, en dat wist hij. Zijn hart sloeg twee keer sneller als anders. Een klik werd gedaan in zijn hoofd –misschien een nawerken van de betovering van kerst?- dat helemaal leeg werd, en hij greep zijn toverstaf. Hij haalde de klink naar beneden, en woest duwde hij de deur open, die met een slag ergens tegenaan botste. Mort zat –zoals hij had gehoopt én gevreesd- in zijn kantoortje, en Damian richtte zijn toverstaf. En op dat moment leek de klik voorbij. Het besef was hij in merlijnsnaam aan het doen was maakte dat hij lijkbleek werd, en de moed hem tot diep in de schoenen zakte. Alle mogelijke zinnen die hij had willen roepen waren nu onmogelijk om te roepen, gezien zijn plots verlies van stem. Wat. Nu. |
![]() |
![]() ![]() ![]() |