![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]()
|
| Help Zoeken Studenten Kalender |
| Welkom gast ( Inloggen | Registreer ) | Validatie e-mail opnieuw verzenden |
![]() ![]() |
| Mort Fairchild |
Gepost op: Tue 28 July 2009, 19:09
|
|
So long, suckers! Groep: Schoolhoofd Berichten: 1.717 Leerling nr.: 1.188 Leerling geworden op: 6 July 2006 Jouw gevoel op dit moment: indifferent Behaalde afdelingspunten: 1248 voor Abalebam |
Waarschuwing voor lezers die niet goed tegen bloed kunnen. Bij de ## begint het en bij de ** eindigt het.
Bij veel delen van de karakterkaart zitten liedjes die ik ofwel luisterde bij het schrijven, ofwel in mijn hoofd had, ofwel goed bij de situatie passen. Ik wilde ze in een playlist zetten met eigen titels, maar dat lukte niet, dus staan ze hier met links naar Youtube. De filmpjes op Youtube hebben er niets mee te maken. Het gaat om de muziek. <3 De playlist is hier te vinden: http://www.youtube.com/view_play_list?p=B23AEE3800FD04BB Onderaan staat de hele lijst op een rijtje. ♫ #1 His parents Algemeen: Naam: Montague Fairchild Bijnaam: Mort Geboortedatum: 28 september 1603 Sterfdatum: 22 juli 1640 Leeftijd: 37 (220) Achtergrond: Bloedlijn en familie: Grootouders via Jonathan: Ashwin Fairchild en Francis Dearheart Grootouders via Emily: Pierre d’Arque en Louise Pompadour Ouders: Emily d’Arque en Jonathan Fairchild Broers: Ashwin en Lear Zussen: Ophelia, Juliet en Cleo Vrouw: Honey Jones Kinderen: Jonathan, Arlaine, Francis, Mary, Andrew (…) Nu levend nageslacht: Stew & Aralind met kinderen Jonathan, Alphonse en Drewrence Alle genoemde mensen zijn dreuzels, behalve vermoedelijk Arlaine. Leven als mens I Montagues moeder, Emily (wiens ouders uit Frankrijk geïmmigreerd waren), werkte als kledingmaakster in het Globe Theatre (Londen; aan de sjofele kant van de Thames); daar gekomen via zijn vader, Jonathan, die als één van Lord Chamberlaine’s Men – ook wel The King’s Men – in hetzelfde theater speelt als acteur. Met het opvoeren van Henry VIII van Shakespeare in 1613 – men speelde vooral Shakespeare’s werken daar – vloog het rieten dak in brand. Iedereen ontkwam, één meisje ernstig verbrand: het jongste zusje van Montague: Cleo. Er werd gemompeld dat de Howards er iets mee te maken, omdat een nieuwe stuk van Shakespeare (Cardenio) één van hen, een zekere knappe Francis, belachelijk maakte; haar presenteerde als iemand die met drie mannen speelde: haar echtgenoot, de koning en één van de vertrouwelingen van de koning. Cleo stierf aan de verwondingen – maar het leven ging door. Montague, die tussen Ashwin en Ophelia in zat, had toch weinig gehad met zijn jongste zusje. Zijn overgebleven zusjes hielpen zijn moeder al snel met het vermaken en maken van de kleren voor The King’s Men. Ashwin wilde acteur worden zoals zijn vader. Montague en Lear zochten een andere manier om in hun onderhoud te voorzien. Montague kwam in zijn schoolvakanties als bediende bij één van de gerechtshoven in Londen te werken: Gray’s Inn. Daar kwam hij in aanraking met de werken van de overleden Francis Bacon; niet omdat hij het las, uiteraard, maar omdat hij hier en daar gesprekken erover hoorde. Eén ervan ging over Bacons min of meer geflopte boek Advancement of Learning uit 1605. Met pijn en moeite leerde Montague van zijn vader, wanneer die tijd had, een beetje lezen – genoeg om Advancement of Learning enigszins te kunnen lezen; om te weten dat hij iets met wetenschap wilde gaan doen. Maar hij kwam uit een arm milieu en had niet de kans om te studeren. ♫ #2 Honey and Montague Toen hij in 1655, op 19-jarige leeftijd, Honey Jones ontmoette, verloor hij zijn wetenschapsdroom en trouwde met haar. Hij werkte nog steeds bij Gray’s Inn, inmiddels met een wat belangrijkere functie dan het openen van koetsdeuren. Honey was vroedvrouw en baarde zelf vier gezonde kinderen: Jonathan, Francis, Mary en Andrew. En eentje die op driejarige leeftijd overleed aan tuberculose: Arlaine. Montague was hier kapot van, want van al zijn kinderen was Arlaine de enige geweest die tot dan toe tekenen had laten zien van magisch bloed. Met het sterven van Arlaine, verloor Montague zijn verdere connectie met de magische wereld. Leven als mens II ♫ #3 Finding my purpose Zoals alle kindertjes van magisch bloed in Engeland (e.a.) kreeg Montague op zijn 11e een brief van Zweinstein. Dit was een schok, want hijzelf had nooit iets van magie vertoond en iedereen in zijn omgeving, voorzover hij wist, was dreuzel. Zonder extreem veel tegengas van zijn ouders en zonder dat zijn broers en zussen wisten waar hij precies heen ging, vertrok hij, gesteund door geld van het Ministerie van Toverkunst, naar Zweinstein, waar hij in Ravenklauw gesorteerd werd. Hij was een uitstekende leerling, zowel theoretisch als magisch, hoewel hij in wijsheid van de algemene dingen in de magische wereld uiteraard achterliep op de meeste van zijn medeleerlingen. Hij studeerde af met de acht na hoogste cijfers van zijn jaar. Hierna wilde hij verder gaan met de weinig populaire studie Magichemie (omdat hij vond dat die dicht bij Bacons ‘wetenschap’ lag), maar zijn ouders wilden hem dichter bij huis hebben, in de hoop dat hij een dreuzelmeisje zou vinden en zich niet volledig van hen af zou zonderen. Ze kregen dus gelijk. Overgang van mens naar vampier ♫ #4 You've just sold your soul to the devil Normaal was het zo dat Montague taken zoals de gevangenen die zich in Gray’s Inn bevonden eten te brengen, over liet aan zijn minderen. Maar de minderen waren bang, overduidelijk bang, voor één van de gevangenen. De man scheen walgelijk sterk te zijn en steeds gruwelijke bedreigingen te fluisteren. Montague was wel meer gewend en, zoals altijd met zijn toverstaf in zijn binnenzak – hoewel hij deze al jaren niet meer gebruikt had – zocht hij zijn weg van de prachtig ingerichte hal van het gerechtshof naar beneden; naar de duistere cellen, daar waar het licht van de zon nooit kwam. Hij passeerde de lange rij cellen, het gekreun en gesmeek negerend, tot hij bij de allerlaatste cel kwam. Het stonk er en de kilte lag als een klamme deken over de hoek. Hier was het stil, afgezien van het vage gegalm van de kreten van andere gevangenen uit de verte. Dit was een speciale gevangene, dat hij zo ver in een hoek was gestopt. “Zo,” begon Montague. In zijn ene hand had hij het dienblad met droog brood en een verroeste beker water, met de andere draaide hij het slot open. Met angstaanjagend gepiep ging de deur open. Daarna was het stil. Echt stil. Geen galmende kreunen of kreten meer. Geen gerammel van ketens. Geen geschuifel. Iedereen hield zijn adem in. Montague onderdrukte de neiging om weg te rennen. Die gevangene mocht dan wel sterk zijn, hijzelf was dat ook. Hij wenste dat hij magie kon gebruiken. Gewoon, simpel een Lumosje. Maar nu was het enige dat het vage, flakkerende licht van de fakkels hem lieten zien een contour van een mens op de houten plank die een bed voor moest stellen. Met zijn ogen op de schimmige duisternis zette Montague het dienblad neer. Het had een standbeeld kunnen zijn op de plank; de Fairchild zag hem niet eens ademen. Oh fíjn, misschien was hij dood. Voorzichtig, zijn hand op de zak met zijn toverstaf erin, schuifelde hij dichterbij. “Je eten staat klaar,” baste hij ruw. Nog steeds geen beweging. “Als je nú niet opstaat, neem ik het weer mee. Anderen zouden er wellicht heel blij mee zijn,” vervolgde hij, nog steeds met die ruwe stem, terwijl hij voetje voor voetje dichterbij kwam en uiteindelijk naast de houten plank stond. Niemand kon zo lang zijn adem inhouden. De gevangene was dood. Nu hij dichterbij stond, kon hij vaag een gezicht ontwaren, waarschijnlijk omdat het zo bleek was dat het zelfs in deze duisternis op leek te lichten. Met zijn vuist duwde hij tegen de koude, harde rug van de gevangene. Ja, dood als een pier. Hij draaide zich weg van de plank, stiekem opgelucht, maar wilde zich weer omdraaien toen hij op de rand van zijn gehoor een ‘woosh’ geluid hoorde – te langzaam. Vanaf toen ging het allemaal heel snel. Een kille hand sloot zich om zijn mond en neus zodat hij geen adem meer kon halen en geen geluid meer kon maken en hij werd geruisloos maar snel en hard tegen de grond geduwd. Hij wilde naar zijn toverstaf reiken maar zijn ene hand zat onder zijn lichaam vast en de ander werd door de gevangene vastgehouden. “Mijn eten staat inderdaad klaar,” siste een stem in zijn oor, killer dan de kilste stem die Montague ooit had gehoord, en hij had veel kille stemmen gehoord in zijn leven. Een rilling ging door zijn hele lichaam. De stem lachte zacht. Te zacht, dacht Montague wanhopig. Niemand zou hem horen. Wáárom had hij niemand meegenomen? Waarom had hij nu weer moeten laten zien hoe stoer hij was. “Ja, te zacht,” herhaalde de stem zijn gedachten. Het rillen stopte; Montague bevroor. Kon de gevangene zijn gedachten lezen?! Een occlumens?! Wat deed een tovenaar in een dreuzelgevangenis? Waarom was hij nog niet ontsnapt?! En inmiddels zou hij graag kunnen ademen? “Zoveel vragen,” lispelde de stem en haalde een vinger weg voor Montagues neus zodat hij weer kon ademen. “En geen antwoorden. Voor jou heb ik één vraag: redt God je als je sterft?” Wat? Sinds wanneer praatte je over theologie wanneer je een bewaker onderuit had gekregen? Ondanks de bizarheid van de vraag, dacht Montague erover na. Zou God hem redden? Zijn ouders waren Anglicaans, hoewel niet devoot, en hij was elke zondag naar de kerk gegaan tot hij op Zweinstein terecht was gekomen. Zijn gedrag was nooit erg heilig geweest. Hij was geen kind Gods waar God trots op kon zijn. Langzaam schudde hij zijn hoofd. “Dan heb je nu je ziel aan de duivel verkocht,” grauwde de stem. Het volgende moment had Montague het gevoel alsof de gevangene zijn nek brak. Alsof zijn hoofd van zijn lichaam verwijderd werd met een botte zaag. Alsof een hondsdol paard op zijn hoofd stampte. Alsof een vampier zijn tanden in zijn had gezet en met alle macht al het leven uit hem zoog, pijn achterlatend waar bloed eerst had gestroomd. Dankbaar omarmde Montague de duisternis die hem uit de klauwen van de pijn sleepte. Dood als vampier I ♫ #5 Fuck, I'm dead and still walking Hoewel het duister bleef, begon bewustzijn langzaam terug te komen, maar… vreemd. Alsof hij niet helemaal wakker was, of juist wakkerder dan hij ooit was geweest. Verward schudde hij zijn hoofd en bevroor, geschokt over het feit dat hij zijn eigen haar zo duidelijk kon horen ritselen; het schuivende geluid van elke haar op de andere. Zo goed en zo kwaad als het kon, probeerde hij zijn aandacht op zijn omgeving te richten. Of hij zijn ogen nu open of dicht had, het bleef even donker. Hij probeerde een arm op te tillen, verwachtend dat het pijn zou doen en hem moeite zou kosten. Het ging verbazingwekkend makkelijk – en pijnloos. Maar ver kwam zijn arm niet omhoog: na een halve meter stootte hij tegen iets aan. Verder onderzoek vertelde hem dat dit iets helemaal boven hem zat. Boven zijn hoofd, boven zijn buik, boven zijn benen. Naar de zijkanten stopte zijn bewegingsruimte ook snel. Oh hemel, hij zat in een kist. Hoelang al? Straks zou hij geen adem meer kunnen halen! Sterven van de honger! Dacht die… die gevangene! Het was dus een vampier geweest. En Montague leefde nog. Wat betekende dat? Het had er niet op geleken dat die vampier een paar slokken had genomen en er nu weer vandoor was gegaan. En wat had hij gevraagd? Of God Montague zou redden als hij zou sterven? En hij had nee geantwoord, waarmee hij zijn ziel blijkbaar aan de duivel had verkocht… Oh, bij alles wat hij liefhad, het monster had hem in een vampier veranderd! Gefrustreerd, bang en huilend schopte en sloeg de man tegen alle planken die hem zijn bewegingsvrijheid ontnamen. Waar hij als mens nooit doorheen was gekomen, ramde hij nu zonder veel moeite zijn vuisten en voeten door. Geschokt over het gemak, sprong de aspirant vampier tussen de splinters door. Hij wierp een korte blik op de bloederige krassen die het gespleten hout achter had gelaten op zijn huid – de huid die door zijn gescheurde en bebloede kleding door te zien was in het licht van een haardvuur en verschillende kaarsen. Voordat hij verder naar zijn omgeving durfde te kijken, onderwierp hij zichzelf aan een verdere inspectie. Hij zag er niet uit. Overal was bloed en viezigheid vastgekoekt, overal zaten scheuren, alsof hij als een voetbal gebruikt was. Maar hij had geen enkele blauwe plek. Niets deed pijn. Zelfs die krassen van een paar seconden geleden nie- Waar waren ze? Ze zaten er net nog! Hij uitte een zacht gejammer. Niet dat hij het erg vond dat de krassen weg waren, maar alles was zo onwerkelijk, nadat hij zo lang gescheiden was geweest van de toverwereld! Waarom had het nu weer op deze manier terug moeten komen? “Stop je ooit met zeuren?” klonk de stem van wie de eigenaar hem dit aan had gedaan. De stem was niet meer zo kil als… hoelang het ook geleden was dat hij het monster voor de eerste keer had ontmoet. Er zat nu een verveelde, lijzige toon aan. Montague keek op van zijn eigen lichaam. Zijn ogen flitsten door de ruimte en namen deze zo snel mogelijk in zich op, het monster voor het laatst bewarend. Hij stond in een vierkante, duur beklede kamer. Aan de muur hingen prachtige, maar ironische schilderijen. Thuis had Montague maar één schilderij: een familieportret. Hier hingen paradijselijke scènes met fantastische, blije fabeldieren, regenbogen en vooral veel zon. Ha. “Vergeef een heer zijn genoegens.” Een heer? In manieren bleek dat niet, hoewel iemand die zich een ‘heer’ durfde te noemen wel in deze luxueuze kamer paste. De ogen van Montague dwaalden uiteindelijk naar zijn maker. Deze zat in een leunstoel bij het haardvuur, zijn benen over elkaar, zijn handen gevouwen op een open boek. Hij was bleek, zelfs in het warme, rozige licht van de haard en de kaarsen. Zijn kleding was de kleding van een heer en hijzelf had ook de vage arrogante trek om zijn mond die veel hoog geplaatste figuren hadden. De enige die hier niet leek te passen, was Montague zelf. “Maar daar is gelukkig iets aan te doen,” reageerde de heer, weer op onuitgesproken gedachten. Hij vervolgde met hoe hij heette, waar ze waren, wat Montague was en liet de verwarde, kersverse vampier daarna escorteren door een uitdrukkingloze bediende – die was het blijkbaar gewend om mensen in zulke kleren tegen te komen – naar diens tijdelijke onderkomen. Daar werd hij, met de hulp van dezelfde bediende, degelijk gemaakt. Zich niet beter op zijn gemak voelend, maar tenminste beter bij de omgeving passend, werd hij teruggebracht naar de heer des huizes. Daar werd de informatievloed hervat. Over de regels die er blijkbaar waren, met als belangrijkste regel dat niemand moest weten dat Montague vampier was – hij mocht dan ook niet naar zijn familie terug, of naar ook maar iemand die hij kende. Geheimhouding was de sleutel voor overleving. Het was in dezelfde kamer dat Montague zijn eerste slokken bloed kreeg, uit een kristallen glas en warm. Hij durfde niet te vragen waar het vandaan kwam en, zo besefte hij later met het schaamrood op te kaken, het interesseerde hem op dat moment ook niet. Het bloed bracht een dierlijke waanzin in hem omhoog – van zelfbeheersing was geen sprake – tot amusement van zijn maker. Het enige wat die hem daarna nog meldde, was dat het met de jaren makkelijker zou worden en hij steeds minder bloed nodig zou hebben om sterk te blijven. Montague nam het allemaal aan met een strak gezicht. Hij zorgde ervoor dat zijn gedachten niet dwaalden naar enig moment vóór zijn eerste ontmoeting met de vampier in Gray’s Inn. In zijn hart, diep verstopt, had zich een verzet opgebouwd dat in het geheim aan een plan werkte. ♫ #6 Running home Toen Montague twee maand – dit hield hij zorgvuldig bij, bang dat hij, met de eeuwigheid voor zich, alle grip op de tijd zou verliezen – in het huis van zijn maker had geleefd, mocht hij voor de eerste keer weer naar buiten. In het huis, zo bleek met het verstrijken van de dagen, leefden veel meer vampiers. Sommigen kwamen en gingen, een paar woonden er. Zijn maker bleek oud te zijn en min of meer geliefd. Montague vroeg zich walgend af hoe zo’n sarcastisch, kwaadaardig figuur geliefd kon zijn, maar de vampiers waren dan ook een heel ander volk dan waar hij tot zijn dood toe mee om was gegaan. Dood was hij – zijn hart klopte niet meer. Maar dit weerhield hem er niet van om, het moment dat hij vrij werd gelaten in Londen, zijn verzetsplan uit te voeren. Het huis van zijn maker bleek dichtbij The Globe te staan. Hij was nog nooit zo snel de Thames over gestoken, van de werkplek van zijn ouders naar zijn eigen huis. Sneller dan wat dan ook kon hij rennen, scherper dan wat dan ook kon hij zien, beter dan wat dan ook horen. Hij was een superdode. Deze gedachte vermaakte hem min of meer onderweg, tot hij bij zijn voordeur aan kwam. De gordijnen waren dichtgetrokken maar erachter scheen licht. Hij hoorde de schelle stemmen van zijn kinderen. Zonder zich een moment te bedenken, bonsde hij op de deur en brak de belangrijkste regel die hem op was gelegd. ♫ #7 It's me! Eerst werd de deur op een kier open gedaan – een wantrouwend en bloeddoorlopen oog gluurde een halve seconde voor de deur helemaal open werd getrokken en Honey haar man huilend om de hals vloog. Haar warmte, haar geur, de slagader die in haar nek klopte – de klap van al dat zorgde ervoor dat zijn hoektanden onmiddellijk tot messcherpe punten groeiden. Montague tilde zijn vrouw op, stapte zijn warme huis binnen en trok de deur achter zich dicht. Hij zijn geen woord terwijl hij zich uit alle macht concentreerde op het normaal krijgen van zijn tanden. Hij kwam pas weer bij zinnen toen zijn vrouw hem, na een stroom vragen over waar hij was geweest en hoe hij hen zo in zorgen had kunnen laten zitten, hem gefrustreerd een klap in zijn gezicht gaf, bij gebrek aan reactie van hem. Van schrik uitte hij een grom – wolvig, herinnerde hij zich later, toen hij eindelijk weer aan de avond durfde te denken – en sprong naar achter. Zijn hoektanden glinsterden in het licht van de brandende haard. Zijn kinderen, die zich net vol overgave op hem hadden gestort, verschuilden zich achter hun moeder. Honey wilde een stap naar achter doen maar struikelde over haar kinderen. Haar man was meteen bij haar om haar op te vangen – maar hij was te snel gegaan om door mensenogen gezien te kunnen worden. In plaats van blij te zijn dat hij haar had gered van het pletten van hun kinderen, probeerde ze zo snel mogelijk bij hem vandaan te komen, hun kroost meetrekkend, tot ze niet verder kon – ze stond met haar rug voor de haard. Verder naar achter en ze zou zich branden. Montague keek beledigd, geschokt en verscheurd van zijn gezin voor de haard naar het portret van zijn gezin erboven. Het verschil tussen het overduidelijke blije gezin op het doek en het bange, huilende, verwarde groepje voor hem, stuurde een pijnstoot door zijn lichaam. Had hij nog geleefd, dan had het zijn hart doorboord. Nu verdween de pijn in een zwart gat waar het tot as verbrandde. Ergens voelde dat nog erger dan hoe het gevoeld zou hebben als hij nog had geleefd. Na veel lieve woorden, uitgebreide uitleg en gesmeek vanaf zijn knieën, ontspande zijn gezin zich enigszins. Maar niet helemaal. Alleen Honey wist een klein beetje over het feit dat Montague tovenaar was. Zijn kinderen dachten dat hij een kon goochelen. Maar hij had geen van allen verteld over het bestaan van duistere magische wezens, zoals vampiers en weerwolven. Hij was bij de categorie ‘eenhoorns’ gebleven. Samen brachten ze hun kinderen naar bed. Montagues tanden trokken zich terug nadat zijn kinderen er tegenaan hadden getikt om te zien of ze echt waren. Het verbaasde hemzelf dat hij niet in hun vingers beet, maar vermoedelijk waren familiebanden sterker dan dorst. Met zijn vrouw bij het vuur zittend raakten ze langzamerhand weer aan elkaar gewend. Een groot deel van hun intimiteit was verdwenen en het zou tijd kosten om dat weer te herstellen. Beide wisten ze dat het nooit zo zou kunnen worden als het was. Hij kon niet meer overdag werken, hij zou niet meer in dit huis kunnen leven, hij zou nooit meer fulltime vader voor zijn kinderen zijn. Samen huilden ze om het verlies, Honey nog harder dan hij toen ze zag dat hij geen zout water maar bloed huilde. Maar ze hield genoeg van hem om het bloed weg te vegen met een roze kanten zakdoekje. Sniffend kusten en omhelsden ze elkaar. Bij de eerste kus groeiden Montagues tanden weer, maar toen hij zich terug wilde trekken, stopte Honey hem en ging verder waar ze gestopt waren – tot een koude vlaag wind hen beide op deed schrikken. De deur was open gegaan en niet door de wind. ♫ #8 I'm sorry, Montague, it's for the best Slecht verlicht maar duidelijk herkenbaar stond daar in de deuropening Montagues maker. Montague drukte zijn vrouw meteen achter zijn rug en ontblootte zijn tanden. “Ik dacht dat ik je duidelijk gezegd had dat dit het laatste is dat je moest doen, Montague,” vond de lijzige stem van de vampier zijn weg in het huisje. “Ik dacht dat het me niet interesseerde of jouw zieke bloedzuigers wereldje het goed vond dat ik terug ging naar de kern van mijn leven. Jullie hebben hier níets mee te maken. Zoals je ziet, gaat het prima.” “Nú gaat het prima. Doe niet alsof je de eerste bent, knul.” Woa, de man had emotie. Zijn normaal zo kille stem klonk verhit. “We hebben dit een tijdlang toegestaan en elke keer – werkelijk elke keer – ging het mis. En ze wisten elke keer zó zeker dat het goed zou gaan, met hèn wel. Nee, Montague, met jou ook niet, en door het te proberen, heb je je gezin veroordeeld.” “Hoezo veroordeeld? Sinds wanneer is deze gezellige heart-to-heart chat in een rechtzaak verandert?” siste Montague dapperder dan hij zich voelde. “Sinds het moment dat jij op de deur van je huis klopte.” Wat Honey waarschijnlijk niet zag maar wat Montague ontzettend goed doorhad was het feit dat er zich meerdere vampiers achter zijn maker hadden verzameld. Dit ging niet goed. Zijn ogen flitsten van het bleke publiek naar zijn maker. Hij trok Honey strak tegen zich aan. “Als ik nu wegga is er toch niets aan de hand? Desnoods kan je hun geheugens wissen?” vroeg hij op een smeektoon. Hij kon niet tegen zoveel vampiers op, hoe graag hij ook zou willen. “Nee, Montague, want je hebt nu laten zien dat je er niet toe in staat bent weg te blijven.” Zijn maker wenkte en in een flits sprongen de vampiers naar voren. “Wa-” begon Honey, maar voordat ze het woord af kon maken, werd ze uit Montagues handen getrokken. Binnen enkele seconden stonden zij en haar kinderen op een rij voor hem. Achter elk van hen stond een vampier. Met de ene hand hielden ze de handen van de slaapdronken kinderen en angstige Honey, de andere hand lag over de monden. Met grote ogen deed Montague een stap naar voren. “Het spijt me, Montague,” zei de lijzige stem van zijn maker zonder veel gevoel. ## ♫ #9 Everyone Dies De vampier die Honey vast hield bewoog zijn hand in een flits. Zijn nagel schoot langs de nek van zijn vrouw en het volgende moment sproeide bloed overal heen. Montague viel op zijn knieën, gek van woede, angst, verdriet en al het bloed om hem heen dat zo verrukkelijk rook. “Niet ook…” begon hij verstikt. Francis’ ogen draaiden weg. Andrew gilde gesmoord achter de witte hand van een vampier. Mary zakte in een hoopje in elkaar. Jonathan… was nergens. “Mon- tehh- ghh-” Zelfs verdronken in haar eigen bloed klonk de stem van zijn vrouw prachtig. Hoopvol keek hij op. De vampier drukte hard bovenop haar hoofd en het bloed stroomde minder hard, hoewel het Honeys kleren doorweekt had. Ze keek hem glazig aan, maar ze was niet dood. En ze rook zo, zo heerlijk. “Honey,” fluisterde Montague. Langzaam stond hij op. “Honey, Honey, Honey.” Hij schoot naar haar toe en rukte haar uit de handen van de vampier die makkelijk toegaf. De wond in haar nek had weer alle ruimte om zoveel mogelijk bloed naar buiten te krijgen – over de twee maanden oude vampier heen. Zijn ogen dwaalden over zijn vrouw, over zijn kinderen. De vampiers deden zich te goed aan hen. Andrew gilde nog steeds. Het leek allemaal een rode, wazige nachtmerrie. Morgen zou hij wakker worden in zijn bed met zijn vrouw niet naast zich want die zou al uit bed zijn om thee te zetten. Hij keek weer neer op Honey. Haar nek lag volledig open. Zelfs hij wist dat ze niet te redden was, hoe dan ook, zelfs als er niet zes vampiers tussen hem en eventuele redding voor zijn vrouw stonden. Maar gedachten aan wie het was die hij in zijn armen had, werden steeds meer opzij gedrongen door de monsterlijke waanzin die uit het zwarte gat in zijn borst omhoog kwamen, waar zijn hart ooit had geklopt. “Monteghh, niehh… doe-” Honeys laatste woorden werden gesmoord toen de waanzin de controle over Montagues lichaam over nam en zijn denkvermogen ergens achterin zijn geest neergooide. Zijn tanden vonden een weg naar haar bloederige nek, met zijn tong probeerde hij het zo jammerlijk verspilde bloed van haar warme huid op te likken. Voor de rest waren er alleen nog maar flitsen. Het grimme gezicht van zijn maker. Een bloeddorstige grijns van zijn maker. Andrew die maar door bleef gillen tot zijn nek met een gruwelijk gekraak om werd gedraaid. Francis ogen die knipperden, besef terug krijgend en ze kermde ‘papa!’ toen ze zag wat er om haar heen gebeurde. En overal het bloed en de scherpe tanden die zich keer op keer in de tere huidjes van zijn kinderen boorden. Zijn eigen tanden in de huid van zijn vrouw. Maar het was alsof hij er boven stond toe te kijken door wazige, rode wolken. Hij zag zichzelf met zijn vrouw in zijn armen staan en met schokkende schouders drinken. De echte hij, niet de vampier hij, probeerde zichzelf van haar af te trekken – een schim die niets kon doen. Dat was er van hem over: een schimmig aftreksel. Hij huilde en schreeuwde en probeerde keer op keer de vampiers aan te vallen, maar zijn tanden en klauwen gingen recht door hun verachtelijke lijven heen. Hij bleef proberen, al vloekend, tierend, krijsend en huilend, tot de vampiers één voor één vertrokken, zijn kinderen als nutteloze hoopjes meeslepend aan armen, benen of haar. Uiteindelijk bleven alleen zijn vampier-zelf en zijn maker over. Zijn schim-zelf werd teruggetrokken in zijn lichaam en had de kracht weer over zijn eigen armen en benen. Hij voelde zich walgelijk verzadigd. ** ♫ #10 Crying blood on my beloved Zijn knieën trilden onder het gewicht van hemzelf, zijn vrouw en het kwaad dat hij had aangericht. Huilend zakte hij ineen, het lijk van zijn vrouw wiegend in zijn armen. Hij schreeuwde zijn verdriet uit naar de wereld, naar boven, naar hemzelf, naar God, naar alles. Met lange, gierende halen huilde hij, te midden van de overblijfselen van de huiskamer waar hij zoveel gelukkige momenten had beleefd. Hij schreeuwde de naam van zijn vrouw, keer op keer op keer, maar ze kwam niet terug. Haar lege ogen bleven langs hem staren, haar openliggende nek beschuldigde hem van moord. Vierdubbele moord. Honey, Honey… Nooit meer zouden ze samen hand in hand in het zonlicht lopen. Nooit meer zouden hun kinderen om ze heen rennen en ze elk boomblaadje en kiezelsteentje dat ze tegen kwamen laten zien. Nooit meer zouden ze ’s avonds gezamenlijk eten en praten over alles en niets. Nooit meer zouden ze samen bij het vuur zitten om te luisteren naar elkaars spannende verhalen. Nooit meer zou hij met zijn vrouw in hetzelfde bed liggen, elkaars warmte delend. Hij had geprobeerd de gelofte te breken die hij voor de kerk had afgelegd: tot de dood ons scheidt. Hij had geprobeerd haar na zijn dood nog weer te kunnen vinden, maar hij had fout gezeten. Hij had haar vermoord. Hij had al zijn kinderen vermoord. Honey, Honey. Hij huilde en huilde haar eigen bloed weer op haar lichaam. Al die tijd stond zijn maker als een stille, duistere wachter bij de deur. Niemand kwam langs om te zien wat er gebeurde. Niemand interesseerde het dat Montague alles kwijt was wat hij ooit was geweest. En het was allemaal zijn eigen schuld. Honey… Nooit meer… Dood als vampier II Hij werd niet gestraft bovenop het feit dat hij alles kwijt was, behalve dat zijn huis tot de grond toe af werd gebrand. Het enige wat hij mocht houden was het familieportret. Dagen besteedde hij in zijn vervloekte kamer in het huis van zijn maker aan het verwijderen van het bloed. Maar elke keer als hij naar de lachende gezichten van zijn kinderen keek, huilde hij over het schilderij heen en moest hij weer opnieuw beginnen. Het kostte hem een maand voordat het schilderij niet meer bevlekt werd. Montague had geen tranen meer. Hij was leeg. Al het bloed dat hij van zijn vrouw af had genomen, had hij weer teruggegeven aan haar. De beeltenis van haar op het schilderij, waar ze zo blij keek… Nog een week lang lag hij op een sofa te staren naar de gezichten van zijn gezin. Hij had de kracht niet meer om te bewegen. Soms sliep hij. Of hij was in trance. Soms droomde hij en werd snikkend zonder tranen wakker, want de echte wereld was zoveel duisterder dan zijn droomwereld. Na nog een dag kwam zijn maker zijn kamer binnen en dwong hem te drinken, net zolang tot hij zijn kracht weer terug had. Montague haatte hem uit de grond van zijn ziel, als hij die nog had, en anders uit de bodemloze put van het zwarte gat in zijn borst. Maar hij was zijn maker dankbaar dat hij hem weer op krachten hielp. ♫ #11 Killing a dead man Vroeg in de ochtend, bij het eerste licht, werkte Montague zich een weg door de gangen van het huis – van zijn kamer naar het slaapvertrek van zijn maker. Hij moest door vaag door de opkomende zon verlichte gangen. Ze brandde zijn huid weg; het vlees eronder verkoolde, maar hij merkte het niet. De pijn was niets in vergelijking met wat hij de afgelopen maanden had doorgemaakt. De pijn maakte hem sterk. Hij wist dat zijn maker op dit moment dronken in zijn slaapvertrek lag met een gros aan medevampiers: zijn vertrekken waren onder de grond, dus hij kon eeuwig doorgaan met feestvieren terwijl de rest van de wereld verzwolg in pijn en verdriet. Met een hand op zijn binnenzak klopte Montague met zijn andere in een handschoen gehulde hand op de deur. “Komm j’ons dan eieieiendelijk vergezelllennn?” klonk de bekende lijzige stem met een dubbele tong van de andere kant van de deur. “Ja.” Montague duwde de deur open en overzag de kamer in een halve seconde. De helft van de vampiers was naakt tot halfnaakt gekleed. In het midden lag zijn maker met een glas bloed. Eenhoornbloed had hetzelfde effect op een vampier als drank dat had op een mens. Montague schoot naar voren en haalde in diezelfde beweging een zilveren staak uit zijn binnenzak. De punt boorde zich met gemak en een met een sissend geluid door de huid van de veel oudere, ladderzatte vampier heen. Bijna raakte de punt het verdorde, dode hart van zijn maker, bijna- maar Montague werd opzij geworpen door één van de andere vampiers die iets minder dronken was dan zijn maker. Een vrouw, of het was ooit een vrouw geweest, hoewel ze er beeldschoon uitzag, en poedelnaakt – en hij herkende haar als de vampier die zijn dochter Mary leeg had gezogen. Montague walgde van zichzelf terwijl zijn blik kort over het perfecte lichaam gleed voordat hij acht paar tanden in zijn nek en schouders voelde en zijn armen uit de kom werden gedraaid op zijn rug. Hij liet zijn hoofd hangen. Hij had gefaald. Het was hem met het kloppen op een deur gelukt om zijn vrouw en drie van zijn kinderen te vermoorden, maar met deze ene vampier lukte dat niet… Dood als vampier III ♫ #12 Stuck in a coffin Hij werd veroordeeld tot honderd jaar opgesloten in een zilveren kist, achter een dichtgemetselde muur. Aan de binnenkant van het deksel zat een kleine replica van zijn familieportret, magisch belicht. Hij had honderd jaar gekregen om na te denken over de bedoeling daarvan. Zijn gedachten waren veel bij de gezichten die hem blij aanstaarden, inclusief zijn eigen, maar vooral Jonathan. Jonathan was niet bij de slachting geweest. Montague hoopte dat hij een gezin had gesticht maar besefte na een paar jaar dat zijn zoon oud zou worden en zou sterven voordat hij hieruit kwam. Iedereen die hij gekend had zou dood zijn tegen de tijd dat hij het licht van de maan weer mocht zien. Dood als vampier IV Op 6 oktober 1740, in de koudste winter van de laatste paar decennia, werd de muur doorgebroken en de kist opengemaakt. Hij werd gevoed tot hij weer op krachten was, kreeg zijn toverstaf terug en hij werd verplicht zijn maker te bezoeken. Deze schonk hem zijn paradijselijke schilderijen en gaf hem zijn familieportret op originele grootte terug. Montague bedankte hem vriendelijk en vertrok naar Parijs. Toen hij daar aan kwam, in de kleren die zijn maker hem had geschonken en een koffer vol met dezelfde soort kleren, wist hij niets. Hij kende de taal niet, hij kende de cultuur niet. Alleen de koning kende hij van naam. Met pijn en moeite leerde hij de taal – beetje bij beetje, ijzig langzaam voor iemand die op zoveel andere gebieden uitblonk. Hij had er uiteraard geen geld voor, maar het bleek goed te helpen om willekeurige Fransen met de dood te bedreigen als ze hem niet binnen een uur honderd nieuwe woorden leerden. Toch zou hij de taal nooit perfect beheersen. ♫ #13 The shallow joys of Versailles Vanaf 1742 begon hij vaker bij avond partijtjes te verschijnen op Versailles. Het was doodsimpel om geld te stelen en zich de goede kleding aan te meten. Hij liet zich door alle schandalige, onderhuidse gewoonten van het Franse hof meeslepen, hoewel hij elke keer met het verschijnen van de zon al lang weer verdwenen was. Maar hij ontmoette niemand die hem werkelijk interesseerde, tot hij een paar jaar later op een gemaskerd bal Jeanne-Antoinette Poisson tegen kwam. Dat zij zich binnen een jaar maîtresse van de koning wist te maken en de titel Madame de Pompadour kreeg, maakte hun niets uit. Ze was een literaire, intelligente vrouw en ze konden zowel verticaal als horizontaal goed met elkaar overweg. Door haar contacten met mensen als Voltaire en Rousseau, begon Montagues interesse voor de wetenschap ook weer op te bloeien. Na twee jaar als minnaar van de maîtresse van de koning geleefd te hebben, charmeerde hij een bediende om de koning dood te steken. Hoewel hij de Lodewijk de vijftiende raakte, stierf de koning niet. Zonder interesse hoorde Montague dat de bediende, Robert François Damiens, meer dan een maand later na langdurige marteling geëxecuteerd werd. De vampier probeerde niet weer de koning om het leven te brengen, maar zorgde er – onder andere via Madame de Pompadour – wel voor dat hij steeds minder populair werd. De bijnaam die hij eerder had gekregen, ‘Le bien-aimé’, gold dan ook absoluut niet meer de laatste tien tot twintig jaar van zijn regeerperiode. Ook nadat de koning zijn interesse naar een nieuwe maîtresse verplaatste – Madame du Barry – bleef Montague Madame du Pompadour ’s nachts bezoeken tot ze stierf in 1764. Hij bleef, vanwege haar romantische blik op dat punt, haar kippen (ze had kippen in de paleistuinen) nog een tijdje graan toewerpen, tot hij ’s nachts eens ernstige dorst had. Hij ging beter met haar dood om dan met de dood van Honey, maar hij werd dan ook niet honderd jaar in een kist opgesloten om het te verwerken. Hierna trok Montague zich een tijd terug in de duistere gedeelten van Parijs, zonder een afscheid aan zijn oppervlakkige vrienden op Versailles. Een keer liep hij ’s avonds laat één van hen tegen het lijf. Die zou het zich uiteraard niet herinneren, maar hij liet wel een duidelijk bewijs van zijn bestaan achter. In de waan dat Montague gestorven moest zijn, door zo plots te verdwijnen zonder bericht achter te laten, was zijn reactie: “Mais… tu es mort!” “Je suis… Mort? Mmn…” Montague dacht daar even over na terwijl hij een aanzienlijke hoeveelheid bloed naar binnen lurkte en vervolgens de man charmeerde en de straat weer op duwde. Mmn. Mort. Het was kort en doeltreffend en had een zekere charme. Technisch gezien klopte het dus allemaal. Vanaf dat moment stelde hij zich voor als Mort Fairchild, als hij ooit zijn echte naam gaf. Zes jaar na de dood van Madame du Pompadour, kwam hij terug naar Versailles. In die tijd was hij maar één keer teruggekomen om als vermomde hoveling bij de nachtceremonie te zijn – bij het door pokken besmette, vrij dode lichaam van Lodewijk XV. Hij was de enige. Nog steeds onopvallend keek hij toe hoe de nieuwe koning, Lodewijk XVI en zijn koningin Maria Antonia, die bekend zou staan als Marie-Antoinette. Hij zag hoe ze opgroeiden, tot Marie-Antoinette in de twintig was. Ze begon steeds meer te lijken op iemand die hij dacht te kennen van voor zijn honderd jaar in de kist, maar hij wist niet meer wie. ♫ #14 Not Marie-Antoinette Hij kwam erachter toen hij op een avond op een balkon naar de sterren stond te turen en Marie-Antoinette hem kwam vergezellen. Dit was uiteraard apart, zonder één van haar altijd-aanwezige hofdames en rij andere oninteressante aanhangers. In het vage licht van de maan en het licht dat in kleine hoeveelheid door de openstaande balkondeuren viel, zag ze er ook anders uit. Een subtiel verschil dat hem waakzaam maakte. De manier waarop ze liep was ook anders. Eleganter. Zelfbewuster. Als een roofdier. Morts adem stokte in zijn keel. Ze was een vampier – en ze was niet Marie-Antoinette. Zijn herinneringen schudden hem wakker. Flitsen was rood bloed en naakte huid schoten voor zijn ogen langs. Zij was geweest die Mary vermoord had. Zij was het die hem van zijn maker afgeworpen had en voorkwam dat Mort hem vermoordde. “Famille de la reine?” “More or less, Montague.” “It’s Mort now.” “… Catchy.” Ze deed zich voor alsof ze hem al jaren kende – wat op zich ook wel zo was – en ze nooit zijn dochter had vermoord of zijn wraak gedwarsboomd had. Mort wilde niet aan het verleden denken en geen machtige vampier tegen zich in het harnas jagen, dus hij liet zich meeslepen door haar; Claire Maximilian. Ze betrok hem in l’affair du collier de la reine en in, blijkbaar, zorgvuldig opgezette voorbereidingen van de bestorming van de Bastille. In de jaren dat hij met haar samenleefde, vermoordde hij meer mensen dan in zijn hele leven daarvoor. In zijn vrije tijd begon hij informatie over Alchemie te zoeken. Hij vond een dreuzelalchemist die hem alles bijbracht wat bekend was over Alchemie. Na de onthoofding van de echte Marie-Antoinette vertrokken ze uit Parijs. Van 1793 tot 1802 zwierven ze samen door Europa. Hij kwam erachter dat ze in 1568 geboren werd als de jongste dochter van zestien uit het huwelijk tussen Maria van Spanje en Maximiliaan II van het Heilige Roomse Rijk. Ze was dus verre (verre, verre) familie van wijlen Marie-Antoinette. Dood als vampier V ♫ #15 Finding my lack of purpose In de lente van 1802, op de dag dat de vrouw van George Washington overleed, kwamen Claire en Mort terug in Londen. Mort kwam erachter dat zijn ontsnapte zoon Jonathan kinderen had gekregen, die ook weer kinderen hadden gekregen, die ook weer kinderen hadden gekregen. Een groot deel van hen werkte nu in de theaterbusiness, grotendeels achter de schermen. Hij verdiepte zich in de Magichemie en leerde het genot van eenhoornbloed kennen. In het huis van zijn maker liet Mort zijn vampier-zelf losgaan. Tot een paar jaar nadat hij zijn Magichemie studie af had gerond, kon je hem dan ook als the average vampire drunk beschouwen. Allemaal leuk en aardig tot zijn maker hem tot de orde riep en hem opdroeg de volgende paar jaar iets zinnigs met zijn eeuwige leven te gaan doen. Een bevel van zijn meester kon hij niet negeren. Dood als vampier VI Hij spendeerde wat tijd in het Engelse leger – hoewel dat lastig was om alleen ’s nachts te doen – en hielp Nederlands-Indië veroveren. Hij verkocht slaven naar de Verenigde Staten en woonde daar ook een tijdje voordat hij blut terugkeerde naar Engeland. Zich schamend voor zijn gedrag van de jaren ervoor, had hij alles in goede werken gestopt. Dood als vampier VII ♫ #16 Why hell. O, I'm your Headmaster Nadat hij nog een paar dagen had gekeken hoe het met de levende Fairchilds ging, besloot hij dat het tijd was om een baan te zoeken die niet te dichtbij en ook niet te ver bij hen vandaan was. Iets magisch, iets waar hij zou kunnen blijven experimenteren zonder gestoord te worden door doorgedraaide dreuzels. In de Avondprofeet las hij dat zijn oude school – há, meer dan tweehonderd jaar geleden! – een conciërge zocht. Nostalgie en een makkelijke baan, want met zijn snelheid zou hij de begaanbare delen van het kasteel met gemak schoon houden, lokten hem naar het onherbergzame deel van Schotland. Hij gebruikte uiteraard zijn ziekte als excuus om niet overdag boven de kerkers te kunnen werken. Omdat hij niet kon zeggen dat hij hier leerling was geweest – niemand herinnerde zich hem – vertelde hij dat een vriend van de familie hem alles en alles over Zweinstein had verteld en het hem niets zou verbazen als hij er zo de weg kon vinden. Hij werd aangenomen en kreeg een klein, oud kantoor in de kerkers met een kast met zwepen erin en een gammel bureautje. Een dag later was het kantoor een stuk groter en een stuk mooier; de schilderijen van zijn maker hingen op de muur; het portret van zijn gezin boven zijn bed om hem elke dag aan zijn schuld te herinneren en was hij al middenin het eeuwige experiment om van lood goud te maken. Het conciërge zijn ging hem prima af. Het was simpel en snel klaar en hij had ontzettend veel tijd over. Hij wilde méér. Met het vertrek van schoolhoofd Matthews wist hij het: hij wilde Schoolhoofd worden. Gregory zou makkelijk over te halen zijn met die prachtige gift die Mort met zijn dood mee had gekregen: hypnose. Vampiers zelf noemden het op een mooiere manier ‘charmeren’. En dan was er nog een deel van bedreigen. Zulke dingen, hè. Zweinstein vond een dag-Schoolhoofd in Gregory en een nacht-Schoolhoofd in Mort, tot Grinch richting Amerika vertrok en vervangen werd door Sophia Ruskin. Rijkdom: Arm. ♫ #17 There's some useless melodrama here Persoonlijker: Gedrag: Omdat hij nog steeds enigszins in de knoop zit met zichzelf, gedraagt hij zich daar ook naar. Als zijn dierlijke vampier-zelf de overhand krijgt, is hij gemeen, agressief en ongemanierd. Als zijn menselijke helft de overhand heeft, wat de grootste tijd het geval is, is hij menslievender, vriendelijker, beter gemanierd en intelligenter. Hij wordt erg chagrijnig als hij uit zijn slaap wordt gehaald, dus overdag, en houdt van macht maar is te ongeduldig en lui om er veel voor te doen. Hij heeft dan ook nu pas geld in Goudgrijp gezet: zijn eerste loon als conciërge. Had hij dat gedaan in het eerste jaar dat hij vampier was geworden, dan was hij nu schatrijk geweest. Typische karaktertrek: Zuigen op bloedlolly’s; stukken Shakespeare scanderen Uiterlijke beschrijving: Zijn haar is zwart en warrig. Soms doet hij er iets leuks mee, meestal niet. Hij kan vaak gevonden worden met een vliegeniers-achtige bril op zijn kruin, soms ook met een extra klein brilletje op zijn neus, maar die is voor de show. Mort heeft weinig opvallende blauwe ogen en draagt veelal zwart. Zoals een vampier dat betaamd, is hij lijkbleek zonder lichamelijke gebreken. Onder zijn kleding draagt hij twee kettingen, allebei met een portretje eraan. Het ene portret is van wijlen zijn vrouw en de ander is van Claire. Madame du Pompadour had graag gewild dat hij een kip aan een ketting droeg, maar dat deed hij al een aantal decennia niet meer. Houdt veel van: Bloed, bloedlolly’s, bloedcocktails, Alchemie, eenhoornbloed, dingen die K’BOOM zeggen en SPARKLE SPARKLE doen. Heeft een hekel aan: Zilver, opmerkzaamheid, zichzelf, zijn maker. Huisdier: Een spookdiertje genaamd Koedie. Toverstaf: Hij heeft twee: één voor alledaags gebruik en één voor alchemie. Degene voor alledaags gebruik is van berkenhout gemaakt, is 250 jaar oud, is 25 centimeter lang en heeft een kern van eenhoornbloed. Degene die hij voor alchemie gebruikt is van mahoniehout gemaakt, is behoorlijk flexibel, 32 centimeter lang en heeft een sterk gecomprimeerde Ukkepulk als kern. Positieve eigenschappen (minimaal vijf): - Zupahpowahz - Meelevend; groot voorstellingsvermogen - Tolerant - Enthousiast - Discreet Negatieve eigenschappen (minimaal vijf): - Bloeddorstig - Bij een bepaalde slag vrouwen een sociale nul - Ongeduldig - Mort moordt - Saai Heden en toekomst: Plannen: Lood in goud veranderen met dreuzelalchemie, op een eerlijke manier rijk worden, Droom: Erachter komen dat zijn hele ‘leven’ vanaf het moment dat hij wakker werd als vampier een droom was. Woonplaats: De kerkers van Zweinstein. Hij heeft een appartement in Parijs en eentje in Londen, allebei klein, donker, stoffig en sjofel. Baan/ opleiding: Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hokus Pokus (1619 afgestudeerd) Opperbewaker in gerechtsgebouw Gray’s Inn (in zijn schoolvakanties; 1619-1640 fulltime) Alchemie (1792 afgerond) Magichemie (1809 afgerond) Conciërge Zweinstein (1822) Docent Zweinstein (1823- …) Schoolhoofd Zweinstein (1823- …) For your information: #1 His parents (Tastar de corde, Recercar dietro - Joan-Ambrosio Dalza) #2 Honey and Montague (You are my sunshine - Elizabeth Mitchell) #3 Finding my purpose (God put a smile upon your face - Coldplay) #4 You've just sold your soul to the devil (Don't fear the reaper - Blue Öyster Cult) #5 Fuck, I'm dead and still walking (Blood Thirsty - Dirty Pretty Things) #6 Running home (From yesterday - 30 Seconds to Mars) #7 It's me! (Creep - Radiohead) #8 I'm sorry, Montague, it's for the best (Death! - Edward Scissorhands) #9 Everyone Dies (Samuel's Death - Legends of the Fall OST) #10 Crying blood on my beloved (A la claire fontaine - Les Petits Minous) #11 Killing a dead man (Revenge - Legends of the Fall OST) #12 Stuck in a coffin (The man who can't be moved (pudum-tsj) - The Script) #13 The shallow joys of Versailles (Point Mort - Yann Tiersen) #14 Not Marie-Antoinette (Colourblind - Counting Crows) #15 Finding my lack of purpose (Nearer my God to thee - Titanic OST) #16 Why hell. O, I'm your Headmaster (I've got the power - Snap) #17 There's some useless melodrama here (Ancient Power - Soukaigi) Vampier Feiten: PRO - exceptioneel goed gehoor, zicht, reuk en opmerkingsvermogen; bijzonder sterk en snel; - veel vampiers hebben extra gaven/ een extra gave: Mort kan charmeren - praktisch gezien de Imperius vloek zonder toverstaf; - eeuwig leven zonder verandering van uiterlijk, hoewel men met magie het haar en de nagels wel weer kan laten groeien; - hoe ouder, hoe sterker, hoe minder bloed nodig is voor voeding; - ... CONTRA - de transformatie van mens naar vampier doet allemachtig veel pijn; - verbranden en verkolen in de zon; - krijgen bloedingen - uit bv oren en neus - als ze overdag niet genoeg slapen; - huilen geen water maar bloed; - kunnen zonder uitnodiging geen gebouw binnen; - worden automatisch het gebouw 'uitgeduwd' bij intrekking van de uitnodiging; - het moeten beheersen van het 'beest' - de vampier - in jezelf, indien je normaal met mensen om wilt gaan; - huid brandt pijnlijk weg door zilver materiaal; - ... |
![]() |
![]() ![]() |